Elizabeth Russell, Grafgedicht voor haar man (1566)

Elizabeth Russell (née Cooke, ca. 1540-1609) werd geboren als derde dochter van Sir Anthony Cooke, de tutor van de latere Engelse koning Edward VI. Omdat haar vader vond dat meisjes intellectueel even begaafd zijn als jongens, gaf hij zijn dochters de beste humanistische opvoeding. Elizabeth werd bij haar thuis in Gidea Hall (Essex) daarom ondergedompeld in filosofische en theologische lectuur in het Grieks, Latijn en Hebreeuws, afgewisseld met antieke poëzie, moderne Europese talen en muziek. Dankzij haar vurige karakter en scherpe intellect ontwikkelde ze een markant zelfvertrouwen dat haar in latere jaren in staat stelde haar eigen kasteel te verwerven (Donnington Castle) en zelfs een eigen militie en privégevangenis op te richten. In 1558 trouwde Elizabeth met Sir Thomas Hoby, die vertaler was van Castiglione’s Il Cortegiano, maar in 1566 als Engels ambassadeur in Parijs overleed. Zijn zwangere vrouw schreef voor hem een grafschrift in het Latijn, zoals ze dat ook zou doen voor tal van andere familieleden en voor haar tweede man, John Russell.
O, lieve man, jij die zo’n groot deel van mijn ziel geweest bent,
	wiens leven steeds het innig wezen van mijn leven was,
waarom verscheurt het jaloerse lot zo hecht verbonden mensen?
	Waarom lig ik als weduwe nu eenzaam in ons bed?
We waren ooit in Engeland én Frankrijk dolgelukkig,					  5
	ja, onze liefde heeft weids over zee en land gereisd,
we waren een gezegend paar zolang we samenleefden,
	in twee aparte lichamen was onze ziel toch één.
Maar niets op deze aarde, lieve man, blijft eeuwig duren,
	daarvan kan jij nu, tot mijn groot verdriet, getuige zijn.			10