Pseudo-Ovidius, Een ovidiaanse vrijpartij (12e eeuw)

In de middeleeuwse ‘Aetas Ovidiana’ (twaalfde eeuw) beleefde de antieke dichter Ovidius (43 v.C.-17 n.C.) een ongekende populariteit, niet in het minst in het onderwijs. Tijdens deze hoogdagen van Ovidius-adoratie zetten vele anonieme dichters zich ook aan het imiteren van hun grote voorbeeld. Dat resulteerde in een omvangrijk corpus van ‘pseudo-Ovidiana’, dat ook wel bekendstaat als de Appendix Ovidiana. Een van de talrijke werkjes in deze traditie is een elegische komedie van driehonderd verzen met de titel De tribus puellis (‘Over drie meisjes’). In het gedicht ontmoet de verteller drie jonge dames die hem vragen als rechter op te treden in hun onderlinge zangwedstrijd. Nadat hij het derde meisje de zegekrans toekende, dineren ze samen en neemt zij hem mee naar haar slaapkamer, waar ze spontaan uit de kleren gaat. De erotische climax van het gedicht neemt de vorm aan van een gesofisticeerde parodie op de 'descriptio puellae' uit Ovidius’ beroemde Amores I.5, subtiel bijgekleurd met echo’s van catulliaanse zoenmotieven.
Ah! Wat een mooie schouders zag ik! Wat een fraaie armen!
Haar stralend blanke benen waren minstens even mooi.
Haar borstjes waren klein en heel gepast, ja, ronduit prachtig,
een beetje strak misschien, maar toch niet minder ideaal.
Haar borst was vlak en even vlak was ook haar buik daaronder,
haar taille vormde links en rechts haar heerlijke figuur. 260
Ik vertel je niet – hoewel ik nog veel mooiers kan vertellen
van hoe ik haar daar zag – neen, dat vertel ik jou toch niet.
Toen ik haar lichaam naakt zag, kon ik me nauwelijks bedwingen
om met een geile hand te reiken naar haar blanke lijf.
Wat moest ik doen? Ik kon niet langer naar haar blijven kijken,
neen, kijken naar dat witte lichaam was mij niet genoeg.
Hoe meer ik keek, hoe meer ik door een laaiend vuur in brand stond,
hetzelfde bracht mij tegelijk ellende én plezier.
En toen ik naar haar blanke huid voldoende lang gestaard had
(maar zo lang moeten staren was wel meer dan ooit terecht), 270
sprong ze eindelijk in het bed en tilde haastig met haar handen
de bonte lakens op en dekte onze lijven toe.
Ik sloeg meteen mijn armen om haar glanzend blanke hals heen
en startte met mijn meesteres een zwoele zoenpartij;
ik gaf haar duizend zoenen en zij gaf mij duizend zoenen,
zij kreeg er zo wel duizend en ik kreeg er duizend terug.
Ze vlijde nu vervolgens ook haar heupen langs mijn heupen;
vervlochten aan mijn zijde schonk ze goddelijk plezier.
Toen drukte ze haar onderlichaam strak tegen het mijne
en gaf me op duizend wijzen een verrukkelijk genot. 280