Martha Marchina, De foltering van Agatha (1662)

Martha Marchina (1600-1646) was de dochter van een Napolitaanse vader die als zeepzieder in Rome werkte. Na het overlijden van haar moeder nam het meisje noodgedwongen het huishouden over en leerde ’s avonds de Latijnse lessen mee met haar broers die wel school mochten lopen. Haar uitzonderlijke intelligentie bleef echter niet lang onopgemerkt en Martha Marchina werd onder de vleugels genomen door kardinaal Bernardino Spada (1594-1661), die haar beschermheer werd. Dat stelde haar in staat om zich te wijden aan Latijns dichtwerk dat haar al snel wijd en zijd beroemd maakte. Na haar dood werd Marchina’s Latijnse oeuvre in 1662 uitgegeven onder de titel Musa Posthuma, een collectie brieven, oden en epigrammen opgedragen aan de Zweedse koningin Christina. De gedichten zijn thematische gegroepeerd en zijn overwegend religieus, maar daarom niet minder spitsvondig en doorwrocht. Marchina geeft in haar gedichten graag het woord aan andere vrouwen, zoals aan de Heilige Agatha (ca. 231-ca. 251), een Siciliaanse martelares die gefolterd werd nadat ze weigerde toe te geven aan de amoureuze avances van een Romeinse gouverneur.
Een lictor heeft met dubbele houw mijn borsten afgesneden,
maar toch heeft die verminking al mijn charmes niet geschaad,
want ik begon daardoor zelfs nog bekoorlijker te worden,
getooid met het purper van mijn bloed in maagdelijke sneeuw.