In de Bayerische Staatsbibliothek in München bevindt zich de Codex latinus Monacensis 19411, een handschrift dat omstreeks 1180 werd samengesteld in de benedictijnenabdij van Tegernsee. Het manuscript bevat naast allerlei verhandelingen, poëzie, spreekwoorden en excerpten ook meer dan driehonderd brieven. Elf daarvan staan bekend als de Epistolae Tegernseenses, een collectie van liefdesbrieven die werden gekopieerd of zelfs geschreven door kloosterzusters, grotendeels in het Latijn. De brieven getuigen van de rijke interactie van deze religieuze vrouwen met het sociale en culturele netwerk van de omgeving en geven blijk van een goede vertrouwdheid met de literaire traditie rond de wereldse idealen van vriendschap en intieme liefdesrelaties. In een van de brieven (ff. 113v-114v) richt een jonge gecultiveerde vrouw zich tot een geleerde man (wellicht haar leermeester) en evoceert ze de thema’s van vriendschap en trouw in een geaffecteerde en expressieve, maar evenzeer gemaniëreerde en bijwijlen mystieke taal.
Want vanaf de dag dat ik jou voor het eerst zag, begon ik jou te beminnen. Jij bent krachtig het binnenste van mijn hart binnengedrongen en met je begroeting en je verleidelijke manier van spreken heb je – een beetje raar om te zeggen – daar een plekje veroverd. Om er niet door een of andere opwelling weer te worden verdreven, heb je met je briefwisseling die plek bestendigd, als was het een zitplaats, of beter nog: een troon. Het resultaat is dat geen vergetelheid jou nog uit mijn geheugen zal kunnen wissen, geen duisternis zal in staat zijn jou te overschaduwen, geen botsing van winden en wolken – hoe onstuimig ook – zal jouw beeld weten te verwoesten. Want wanneer er wisseling in de wereld optreedt, hoe kan er dan nog sprake zijn van standvastigheid? Wel, ik beken dat ik dat toch als een waarheid zou aannemen, als ik maar onafgebroken in jouw aanwezigheid zou kunnen zijn. Maar omdat zo’n bestaan ons nu eenmaal wordt ontzegd, beschouw ik alle bestaan als onwaarachtig. Zorg er dus voor dat ik het ware bestaan kan vatten, dat uit niets anders kan voortkomen dan uit jouw samenzijn met mij. Trouw wordt ook wel eens de vorstin van alle deugden genoemd: daarvan getuigt niet enkel de Heilige Schrift, maar ook de onberispelijke leer van wereldse geleerden. Dit is wat jij nastreeft, dit is wat ik nastreef. Dit is wat je van mij vraagt, dit is ook wat ik van jou vraag. Dit is wat ik met woorden en nog hechter met daden veranker in jouw hart. Als je je ervan losmaakt, word je in grote dieptes gestort; als je er afstand van neemt, wat kan je dan nog anders dan afdwalen van het lot van de rechtvaardigen? Neen, als je een verbond aangaat met trouw, dan schitter je als een straal van Phoebus; als je trouw cultiveert, verover je de burcht der deugden. Als je aan trouw vasthoudt, verwerf je het zalige leven. Als je trouw handhaaft, zul je het anker van je hoop kunnen grijpen. Waarom? Omdat trouw zich verbindt met hoop en een verbond aangaat met liefde: door de knopen ervan worden we gekoppeld, door de emoties ervan vinden we vreugde. Wat wil je nog meer?
Nam a die, qua te primum vidi, cepi diligere te, tu cordis mei intima fortiter penetrasti tibique inibi, quod dictu mirabile est, sedem affamine iocundissime confabulationis tue preparasti et, ne aliquo deiciatur impulsu, epistolari sermone firmissime quasi tripodam immo quatripodam collocasti. Hinc est, quod te de mei memoria nulla poterit delere oblivio, nulla obfuscare quibit caligo, nulla disturbare ventorum nubiumque licet vehementissima valebit concursio. Nam ubi succedit rerum varietas, quomodo appellari potest stabilitas? Fateor namque quia id appellarem verum esse, si in tui presentia possem continuatim esse. Verum quia id esse adimitur, omne esse, quodcumque est, falsum apud me creditur. Fac ergo, ut valeam apprehendere verum esse, quod non alias procedit nisi de tuo esse mecum esse. Fides quoque esse dicitur omnium virtutum regina, quod testator non solum pagina divina, sed et secularium doctorum non improbanda doctrina. Hanc expetis, hanc expeto; hanc a me queris, hanc a te requiro; hanc verbis, hanc rebus cordi tuo tenacius infigo; ab hac si disiungeris, in ima dimergeris; ab hac si separaris, a bonorum sorte quid nisi vagaris? Huic si coniungeris, ut Phebi radius enitescis; colens eam virtutum arcem capescis; huic adherens beatam vitam nancisceris; hanc tenens spei tue anchoram apprehendere poteris. Quare? Quia spem conciliat, amorem conglutinat, huius nexibus copulamur, huius affectibus congratulamur. Quid plura?
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd