Naldo Naldi (1439-1513) werd geboren in Firenze en kreeg ondanks het vroege overlijden van zijn ouders een grondige humanistische opvoeding. Al op jonge leeftijd begon hij Latijnse poëzie te schrijven en raakte hij betrokken bij het culturele en intellectuele leven van zijn geboortestad. Zo verkeerde hij onder meer in het gezelschap van Lorenzo de Medici (‘Il Magnifico’), de grote humanist Angelo Poliziano en de neoplatoonse filosoof Marsilio Ficino. Naldi was vele jaren docent poëtica en retorica aan de universiteit van Firenze maar vertoefde occasioneel ook in Frankrijk, Forlì en Venetië. Naast zijn werk als kopiist en corrector schreef hij ook tal van Latijnse epen, elegieën en gelegenheidsgedichten. Zijn Elegiae, opgedragen aan Lorenzo de Medici, worden beschouwd als Naldi’s belangrijkste literaire werk. De collectie bestaat uit drie boeken, waarvan het eerste poëzie bevat voor zijn jeugdliefde ‘Alba’. In een van deze gedichten (Elegia I.4) richt Naldi zich tot zijn goede vriend Marsilio Ficino en beschrijft hij de fysieke symptomen van zijn hevige verliefdheid.
Waarom verbaast het jou dat mijn gezicht recent zo bleek is
en dat er steeds zo’n schrale vaalheid rust op mijn gelaat?
Je snapt niet, ah, je snapt niet hoe ik kraak onder mijn waanzin,
hoe wellust en hoe razernij mij kwellen, beste vriend.
Want als jij maar een vonkje ving van al die liefdeshitte 5
die met voortdurend fakkelvuur mijn diepste botten schroeit,
dan zou je je veeleer verbazen dat ik nog kan ademen
of dat ik ondanks zo’n verschrikking overleven kan,
ja, dat ik zoveel ongekende pijlen kan verdragen
en zoveel rauwe wonden uit de koker van die god, 10
vooral omdat ik weinig reden heb om echt te klagen
en zo een milde maat te stellen aan mijn nieuwe pijn.
Want wie door liefde lijdt, verlicht zijn hart doorgaans van zorgen,
als hij een jammerklacht doet stromen uit zijn droeve mond,
maar net die kans is mij nu door mijn meesteres ontnomen, 15
want ik, de arme ziel, vind, vriend, geen klank meer voor mijn klacht.
Quid mirare, meo cur sit modo pallor in ore,
cur faciem macies occupet usque meam?
Nescis, heu, nescis, ut me meus urgeat error
cupidineus vexet, amice, furor.
Nam si parva tibi veniat scintilla caloris, 5
qui mihi perpetua conterit ossa face,
cur fruar, heu, potius, certe miraberis, aura
curve queam tantis sic superesse malis
curque tot ignotas possim tolerare sagittas
totque pharetrati vulnera cruda dei, 10
praesertim, cum nulla mihi sit causa querendi,
tam novus unde queat se minuisse dolor.
Nanque solet, maesto si fundat ab ore querelas,
qui dolet a luctu corda levare gravi,
ista sed a domina nunc est mihi dempta facultas, 15
ne miser, heu, querulis utar, amice, sonis.