Anna Maria Van Schurman (1607-1678) werd geboren in Keulen maar verhuisde op zesjarige leeftijd naar Utrecht en daarna naar Friesland. Ze werd door haar vader van jongs af aan onderwezen in Latijn en Grieks en blonk niet alleen uit in haar studies, maar ook in diverse kunsten. Omwille van haar eruditie kreeg Van Schurman alom erkenning en werd ze als eerste vrouw toegelaten aan de universiteit van Utrecht (waar ze de colleges wel moest volgen van achter een gordijntje). Ze correspondeerde met grote geleerden uit haar tijd en beheerste naast Frans, Duits, Engels, Latijn en Grieks ook nog Hebreeuws, Aramees, Ethiopisch, Arabisch, Perzisch en Syrisch. Vanuit haar brede humanistische interesse schreef Van Schurman diverse Latijnse verhandelingen. Haar beroemdste werk is ongetwijfeld haar Dissertatio de Ingenii Muliebris ad Doctrinam & Meliores Litteras Aptitudine (Dissertatie over de geschiktheid van de vrouwelijke intelligentie voor geleerdheid en de schone letteren, 1641), waarin ze in een strak opgebouwd betoog het recht van de vrouw op onderwijs verdedigt.
Eerst en vooral iets over het subject zelf: onze vrouw moet ten minste over een gemiddelde intelligentie beschikken en mag dus niet volslagen ongeschikt zijn om te studeren.
In de tweede plaats moet ze voorzien zijn van de noodzakelijke middelen en mag ze van huize uit niet volkomen door armoede worden belemmerd. Ik breng die voorwaarde hier trouwens aan omdat weinig meisjes het geluk te beurt valt om ouders te hebben die hen persoonlijk willen of kunnen onderrichten. En de diensten van onderwijzers kunnen in onze contreien nu eenmaal niet zonder kosten worden ingehuurd.
Ten derde moet onze vrouw op het vlak van tijdsbesteding en positie aan de voorwaarde voldoen dat ze zich af en toe kan vrijmaken van haar algemene en bijzondere roeping, met andere woorden van haar geloofsbeoefening en haar huishouden. In haar jeugdjaren zal hier probleemloos voor gezorgd worden omdat ze dan nog niet is belast met zorgen en verantwoordelijkheden. Op rijpere leeftijd kan dit door ongetrouwd te blijven of dankzij de hulp van dienstmeisjes, die bij rijkere getrouwde dames gewoonlijk een groot deel van de huishoudelijke taken op zich nemen.
Ten vierde mag ze ook niet uit zijn op ijdel prestige of uiterlijk vertoon, of op een vorm van nutteloze nieuwsgierigheid. Neen, afgezien van het algemene doel, met name de lof van God en haar eigen zielenheil, moet ze ernaar streven om zelf des te beter én gelukkiger te worden, maar ook (als deze taak haar te beurt valt) om haar familie te onderwijzen en richting te geven, en intussen haar hele sekse zoveel mogelijk van nut te zijn.
Primo, ipsius subiecti; ut foemina nostra ingenio saltem mediocri sit praedita, et ad discendum non prorsus inepta.
Secundo, sit mediis necessariis instructa; nec obstet omnino res angusta domi. Quam exceptionem ideo hic affero, quia paucis contingit ea felicitas, ut parentes habeant qui eas ipsi erudire, aut velint, aut possint: nec absque sumptibus praeceptorum opera hac in regione conduci queat.
Tertio ut ea sit temporum et sortis eius conditio, ut a vocatione generali sive speciali, nimirum exercitiis pietatis, sive rei familiaris negotiis aliquando ei vacare liceat. Quod ut consequatur facile, praestabit partim in aetate puerili a curis negotiisque immunitas, ac libertas: partim, in provectiori aetate vel caelibatus, vel ministerium ancillarum, quae etiam matronas locupletiores a negotiis domesticiis magna ex parte liberare solent.
Quarto, finis ei sit, non vana gloria, et ostentatio; aut inutilis quaedam curiositas; sed praeter finem generalem, Gloriam Dei, scilicet, et animae suae salutem; ut et ipsa tanto melior evadat ac felicior; et familiam (si id ei muneris incumbat) erudiat ac dirigat, et toti etiam sexui, quantum fieri potest, prosit.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd