Theodor Ambühl (‘Collinus’) werd geboren te Zürich in 1535 als zoon van de Zwitserse humanist en professor Grieks Rudolf Ambühl (1499-1578). Hij studeerde in Straatsburg en Marburg, werd vervolgens predikant en nam verschillende pedagogische functies op zich. Als tiener liep Ambühl school in het Collegium Minus in Zürich, waar jongemannen tijdens hun laatste jaar werden verondersteld Latijnse declamaties te houden. Van tijd tot tijd trokken ze echter ook de natuur in voor fysieke training en botanisch onderzoek, onder leiding van hun paedagogus, de grote geleerde Johannes Fabricius Montanus (1527-1566). In het fraaie elegische gedicht De itinere ad Montem Utliacum beschrijft de op dat moment zestienjarige Ambühl zo’n excursie naar de Uetliberg, een bescheiden heuvel boven Zürich met een panoramisch uitzicht over het meer. In de Vergiliaans aandoende openingsverzen vertelt de knaap hoe hij na een rusteloze nacht ongeduldig opstaat om na een vroom gebed de idyllische bergwereld in te trekken.
Het was nacht en alle wezens, eens verlost van droeve zorgen,
genoten van de zegens van een matte, slome slaap.
Alleen ikzelf lig hier al vele lange uren wakker
en denk, nerveus en het hoofd vol zorgen, bij mezelf als volgt:
"Het is beslist! Beslist! Ik ga de Uetliberg beklimmen,
bij het prille ochtendlicht wil ik de berggodinnen zien.
Dus, kom, Aurora, kom, u, allermooiste der godinnen,
verlaat Tithonus’ krokuskleurig huwelijksbed, godin!
Want u baart op uw eentje gul de sprankelende ochtend
en zonder u kan niets op aarde vol van kleuren zijn. 10
Geen enkele mooie of goede kunst wordt zonder u beoefend
en van de Muzen bent u de vriendin en gezellin.
Dus, scheer u weg, ja, weg van hier, u, slaapverwekkend donker
en breng, godin, op het roze wagenspan de morgenster!”
Terwijl ik dit bedenk, rijdt de godin haar frisse tweespan
en schildert ze de purperen aarde vol met sprankelend licht.
Ik til mijn lichaam vlug uit bed en hijs mij in mijn kleren
en met een vrome ochtendbede groet ik passend God.
Nox erat, et curis animalia cuncta solutis
carpebant somni munera palliduli.
Solus ego longas vigilando demoror horas
mecum sollicita talia mente querens:
«Certum est Utliacos montes ascendere, certum est
Utliacas prima visere luce deas.
Ergo, Aurora, veni, pulcherrima sola dearum,
Tithoni croceum linque cubile, dea!
Tu nitidi genitrix es sola benigna diei
atque color nullis te sine rebus adest. 10
Te sine nullae artes pulchraeque bonaeque coluntur,
unica Musarum es tu socia atque comes.
Ite, soporiferae, procul hinc, procul ite, tenebrae;
Luciferum roseis tu, dea, profer equis!»
Dum queror haec, invecta novis dea lutea bigis
purpuream nitido lumine spargit humum.
Corripio e stratis cito corpus et induo vestes
atque Deum precibus rite saluto piis.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd