Heinrich Kramer, Over een heks en een penis (1487)

De Malleus Maleficarum of Hamer van de heksen is een handboek voor de heksenjacht, geschreven omstreeks 1485-1486 door Heinrich Kramer (‘Henricus Institoris’, ca. 1430-1505), een inquisiteur uit de orde van de dominicanen. Het boek is bedoeld als een praktische gids voor de identificatie, ondervraging, vervolging en bestraffing van vermeende heksen. De Malleus Maleficarum werd voor het eerst gepubliceerd in 1487 en groeide snel uit tot de standaard handleiding voor kerkelijke rechtbanken en wereldse rechters tijdens de hoogdagen van de heksenvervolgingen in Europa. Daarnaast was het boek ook een cynisch ideologisch wapen dat het vrouwvijandige geloof moest versterken in een wereldwijde samenzwering van heksen. Het tweede deel van de Malleus Maleficarum beschrijft de praktische aspecten van hekserij: hoe heksen hun krachten krijgen, hoe ze schade toebrengen en hoe ze met de duivel samenwerken. Dit deel bevat ook veel voorbeelden en anekdotes die als bewijsmateriaal moeten dienen. Een van die anekdotes beschrijft hoe een heks in de Duitse stad Ravensburg een jongeman van zijn penis beroofde (II.1.7).
In de stad Ravensburg had een jongeman een relatie aangeknoopt met een jong meisje. Maar toen hij haar in de steek wou laten, verloor hij zijn mannelijk lid door bedrieglijke heksenkunst: hij kon zijn penis niet meer zien of aanraken, neen, hij had enkel nog een gladgestreken lichaam. In paniek ging hij naar een kroeg om er wijn te kopen en toen hij er een tijdje neerzat ontmoette hij er een andere vrouw. Hij vertelde haar openhartig en gedetailleerd over de oorzaak van zijn verdriet en liet haar zelfs zien hoe zijn lichaam eruitzag. Slim als ze was vroeg ze of er misschien een vrouw was die hij verdacht. De jongeman bevestigde dat er inderdaad zo iemand was geweest, noemde haar naam en vertelde wat er was gebeurd. De vrouw zei: “Het is zinvol om haar, als ze jou niet met welwillendheid tegemoetkomt, met een vorm van geweld ertoe te brengen om je opnieuw gezond te maken.” De jongeman observeerde in de avondschemering de weg waar de heks gewoonlijk langskwam en toen hij haar te pakken kreeg, smeekte hij haar om zijn lichaam weer gezond te maken. Ze beweerde echter dat ze onschuldig was en dat ze van niets wist. De jongeman wierp zich op haar, snoerde een doek rond haar hals, trok die strak aan en zei: “Als jij me mijn gezondheid niet teruggeeft, zul je door mijn handen sterven.” Omdat de heks het niet kon uitschreeuwen en haar opgezwollen gezicht al grauw begon te worden, zei ze: “Laat me los en ik zal je genezen.” En toen de jongeman de wurgende knoop losser maakte, raakte de heks hem aan tussen zijn dijen en zei: “Je hebt al wat je wilde.” En zoals de jongeman achteraf vertelde, had hij onmiskenbaar gemerkt, nog vooraleer hij het door te kijken of te voelen kon controleren, dat hij zijn geslachtsdeel louter door de aanraking van de heks had teruggekregen.