In het ‘Museo Nazionale del Ducato di Spoleto’ wordt een paneel bewaard van een marmeren sarcofaag uit de vierde eeuw n.C., gevonden in het Umbrische plaatsje Carsulae. Het tablet is in tweeën gebroken rond een beschadigd christogram en bevat zowel op de linker- als de rechterzijde de tekst van een Latijns grafepigram (CIL XI 4634 = CLE 1846). In het gedicht wordt de jonggestorven Pontia door haar echtgenoot bewierookt en beweend. De tekst wisselt wat onhandig tussen de tweede en de derde persoon en roept ook nogal wat vragen op (Is Pontia gestorven in het kraambed? Of overreden door een wagen? En wat liep er fout tussen Pontia’s vader en zijn schoonzoon?). Het grafschrift voor Pontia is niettemin een doorvoelde afscheidsgroet voor een jonge christelijke vrouw die gehoorzaam en loyaal mee het leed van haar man had gedragen.
Destijds had Pontia een gelaat dat straalde als de sterren;
nu ligt zij hier begraven, zij, een kind uit hemels zaad.
Jij was getooid met alle glorie, charme en bekoring
en met een ziel die paste bij je stralende gezicht.
Als maagd trad zij in het huwelijk, dat geen tien jaar mocht duren:
ze stierf, de ongelukkige, als moeder van één kind.
Hoe dankbaar was jouw man voor zoveel minzaamheid en liefde,
hoe zedig jouw karakter en hoe smetteloos jouw schroom!
Niets was bij jou verdorven, heel je wezen was voorbeeldig,
je was je man gehoorzaam – zei men – als een dienares. 10
En toen je mij, die zwaar gebukt ging onder haat en onheil,
ten slotte volgde, kon ook Corsica jouw tranen zien
en toen je verder trok naar Trier, vervoerd op wagenwielen,
heb jij vanuit je achting voor je man heel wat doorstaan.
En toen je vader, boos, jou bij zijn schoonzoon weg wou nemen,
had jij de strop gekozen, als je vader had volhard.
Dus, weg met alle lof der ouden voor hun echtgenotes:
geen enkel tijdvak zal een vrouw voortbrengen zoals jou!
Daarom heb ik, jouw man, met zwaar gezucht en nat van tranen,
dus dit gedicht gemaakt, waarin ik nog te weinig zeg. 20
Pontia sidereis aspirans vultibus olim
hic iacet: aetherio semine lapsa fuit.
omnes (!) honos, omnis ces(s)it tibi gratia formae
mens quoque cum vultus digna nitore fuit.
tradita virgo toris decimum non pertulit annum
coniugii, infelix unica prole perit.
quantus amor, mentis probitas quam grata marito,
quam casti mores, quantus et ipse pudor,
ni(hi)l tibi quod foedum, vitium nec moribus ullum,
dum satis obsequeris, famula dicta viri. 10
denique te, memet fatis odioque gravatum
dum sequeris, vidit Corsica cum lacrimis,
tu Treviros pergens cursu subvecta rotarum,
coniugis heu cultrix, dura satis pateris.
te pater infestus genero cum tollere vellet,
temtasti laqueum si faceret genitor.
cedite iam veterum laudes omnesque maritae,
tempora nulla dabunt talia quae faciat.
vir tuus ingenti gemitu fletuque rigatus
hos feci versus pauca tamen memorans. 20
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd