Jacopo Sannazaro, De geboorte van Christus (1526)

Jacopo Sannazaro (1458-1530), geboren in Napels, was een van de grootste Neolatijnse dichters uit Italië. Een aanzienlijk deel van zijn leven bracht hij door in de hofhouding van belangrijke vorsten, maar later trok hij zich terug om zich volledig aan het schrijven te wijden. Naast zijn Italiaanse bucolische vertelling Arcadia, schreef Sannazaro gedurende zijn hele leven ook Latijnse verzen. Aan zijn Latijnse meesterwerk zou hij zelfs meer dan twintig jaar hebben gevijld: De partu Virginis (‘De bevalling van de Maagd’), een uniek voorbeeld van humanistische religieuze poëzie in Vergiliaanse hexameters. In het tweede boek van dit werk beschrijft de dichter de wonderbaarlijke geboorte van Jezus Christus.
O, wonderlijk geloof! Want in een lichtglans uit de hemel
was het kindje plots geboren, het lijfje zachtjes op een strobaal,
zijn eerste kreetjes deden reeds de holle grot weergalmen.
Zijn moeder zelf had in haar buik geen enkele beweging,
geen botsing of geen stoot gevoeld bij het dalen van haar lading: 370
haar ingewanden lagen nog aan onbewogen banden.
Het was zoals een glazen vlak het zuivere zonlicht opvangt:
het licht zelf glijdt erdoor en baant zich vlot een weg naar binnen,
het dringt door alle duisternis en breekt het laatste donker;
het glas blijft ongerept, voor wind of winter ondoordringbaar,
maar onderwerpt zich enkel aan de lichtstralen van Phoebus.
Toen wikkelde de moeder het kindje in een warme deken,
ze legde hem zacht op haar boezem, teder aan haar borsten,
en daarna in een kribbe, waar de lieve hoevedieren
hem warmden met hun adem. O, hoe vreemd de macht der dingen! 380
De os herkende dadelijk zijn Heer en boog ter aarde,
zijn kop omlaag, en tegelijk ging ook de ezel liggen:
hij boog zijn kop, zijn knieën knikten, vol van adoratie.