Olaus Magnus, De kunst van het skiën (1555)

Olaus Magnus (Olof Månsson, 1490-1557) was een Zweedse rooms-katholieke geleerde, diplomaat en aartsbisschop. In 1555 verscheen zijn Historia de gentibus septentrionalibus (‘Geschiedenis van de noordelijke volken’), een omvangrijke geschiedenis, geografie en etnografisch-folkloristische beschrijving van Scandinavië, die een immense populariteit kreeg in heel Europa. In het werk staat ook de alleroudste gedetailleerde beschrijving van de kunst van het (tour)skiën, door Olaus Magnus gesitueerd in Scricfinnia, in het huidige Noorwegen.
Scricfinnia is een regio gelegen tussen Biarmia en Finnmark, maar met een hoek die zich in zuidelijke richting als een staart uitstrekt richting de Botnische Golf. Het land wordt hoofdzakelijk zo genoemd omdat de inwoners ervan zich met een verbazingwekkende snelheid voortbewegen op een soort houten planken die vooraan zijn gekromd als een boog. Hun voeten zijn dus vastgemaakt aan die planken en om te sturen maken ze gebruik van stokken die ze in hun handen houden en waarmee ze zich naargelang ze willen gezwind bergop, bergaf of zijwaarts bewegen over het sneeuwoppervlak. Met dien verstande dat één plank een voet langer is dan de andere en zelf een lengte heeft naargelang de lichaamslengte van de man of vrouw. Met andere woorden, als een man of vrouw acht voet groot is, dan zal de plank van zijn ene voet acht voet lang zijn, maar de andere plank maar zeven voet. 

Bovendien zorgen ze ervoor dat die houten planken onderaan bespannen zijn met een ragfijne huid van een rendierkalf, een dier dat van vorm en kleur lijkt op een hert, maar veel hoger en groter is (de eigenschappen van dit dier zullen we verder behandelen in het hoofdstuk over de dieren). Waarom ze nu die planken met dergelijke fijne huiden bespannen, wel, daarover lopen de meningen uiteen: blijkbaar is het om zich sneller over diepe sneeuw te laten glijden, of om met een dwarse beweging makkelijker rotskloven en afgronden te vermijden, of om wanneer ze zich bergop bewegen, niet terug naar beneden te glijden. Dit komt omdat de haartjes ervan rechtop staan zoals borsteltjes of de stekels van een egel en zo dankzij een wonderlijk natuurlijk vermogen verhinderen dat men achteruit glijdt.

Dankzij hun bedrevenheid in de techniek om zich met dergelijke uitrusting te verplaatsen, bereiken ze dus verafgelegen plekken in de bergen en de diepste valleien, in het bijzonder in de winter. In de zomer is dat natuurlijk niet even makkelijk, want hoewel ze ook dan sneeuw hebben, zakken ze er dan heel snel in weg door de druk van het hout. Er is trouwens ook geen berg te steil, of ze bereiken de top ervan en dit dankzij een ingenieus parcours in bochten. Bij het vertrek uit de lagere delen van een vallei glijden ze namelijk in eerste instantie over de voet van de bergen in kronkelende lussen. Door zo voortdurend bochten te maken, leggen ze dus een slingerende route af, totdat ze via de welvende krommingen van de heuvels uiteindelijk de top van hun beoogde bestemming bereiken. Dit doen ze soms vanuit hun enthousiasme om op jacht te kunnen gaan, maar soms is het ook om een wedstrijd te houden in vaardigheid en meesterschap in die discipline, net zoals dat het geval is bij stadionlopers die een vastgestelde prijs willen behalen.