Ninos kwam naar ik verneem uit het Assyrisch land. Hij had een oceaan van goud en geld als Kaspisch zand. Maar nooit heeft hij de sterrenstand aanschouwd of bestudeerd, geen heilig tempelvuur ontbrand, zoals de wet het leert, of met de priesterstaf ter hand een godenbeeld geëerd. Hij was geen grote redenaar en rechter? - nog geen beetje. Het volk bespelen? - oh, ho maar! En wiskunde? - oh, jeetje. Maar Ninos was wel het-van-het bij drink- en vreetvertier, hij naaide dan ook iedere kut, gaf om de rest geen zier. Ons allen gaf hij een gedicht, toen hij zijn einde vond. Het zegt waar Ninos’ graf nu ligt, een steen waar dit op stond: “Ben je Assyriër of Mediër? Luister naar mijn woorden. Of Choraxiër of Sindiër uit het verre noorden, en uit het moerassig waterland (wellicht met lange haren)? Luister dan heel even want ik wil slechts dit verklaren: Ik, Ninos die destijds een ziel vol levensadem was, ben nu niets meer, compleet nihil, herleid tot stof en as. Ik houd slechts over wat ik had aan lol en zat gefeest, ik ben ook vaak -het was me wat- lekker van bil geweest. Mijn welstand werd door vijanden in één ruk weggesleurd, zoals een troep Bacchanten soms een geitje rauw verscheurt. Niet langer ook werd ik omringd toen ik naar Hades zonk, door zilveren kar vol fonkeling, door goud of paardenpronk. Ja, ik die ooit een koning was, met mitrakroon getooid, lig hier nu als wat zwarte as los in het zand verstrooid.”
Ἀνὴρ Νίνος τις ἐγένετ᾽, ὡς ἐγὼ κούω, Ἀσσύριος, ὅστις εἶχε χρυσίου πόντον, τάλαντα πολλῷ πλεῦνα Κασπίης ψάμμου, ὃς οὐκὶ δ᾽ ἀστέρ᾽ [οὐδ᾽ ἰδὼν ἐδίζετο], οὐ παρ᾽ μάγοισι πῦρ ἱερὸν ἀνέστησεν, ὥσπερ νόμος, ῥάβδοισι τοῦ θεοῦ ψαύων· οὐ μυθιήτης, οὐ δικασπόλος κεῖνος· οὐ λεωλογεῖν ἐμάνθαν᾽, οὐκ ἀμιθρῆσαι, ἀλλ᾽ ἦν ἄριστος ἐσθίειν τε καὶ πίνειν κἠρᾶν, τὰ δ᾽ ἄλλα πάντα κατὰ πετρῶν ὤθει. 10 Ὡς δ᾽ ἀπέθαν᾽ ὡνήρ, πᾶσι κατέλιπε ῥῆσιν, ὅκου Νίνος νῦν ἐστι καὶ τὸ σῆμ᾽ ᾄδει· Ἄκουσον, εἴτ᾽ Ἀσσύριος εἴτε Μῆδος εἶς ἢ Κοραξός ἢ ᾿πὸ τῶν ἄνω λιμνῶν Σινδὸς κομήτης οὐ γὰρ ἀλλὰ κηρύσσω· ἐγὼ Νίνος πάλαι ποτ᾽ ἐγενόμην πνεῦμα, νῦν δ᾽ οὐκέτ᾽ οὐδέν, ἀλλὰ γῆ πεποίημαι· ἔχω δ᾽ ὁκόσον ἔδαισα χὠκόσ᾽ ἤεισα χὠκόσσ᾽ ἐράσθην <..............................> Τὰ δ᾽ ὄλβι᾽ ἡμέων δήιοι συνελθόντες 20 φέρουσιν, ὥσπερ ὠμὸν ἔρυφον αἱ Βάκχαι· ἐγὼ δ᾽ ἐς Ἅιδην οὔτε χρυσὸν οὔθ᾽ ἵππον οὔτ᾽ ἀργυρῆν ἅμαξαν ᾠχόμην ἕλκων· σποδὸς δὲ πελλὴ χὠ μιτρηφόρος κεῖμαι.

