Aulus Gellius (ca. 125-ná 180 n.C.) werd geboren in Rome, maar ging filosofie studeren in Athene. Tijdens zijn lange verblijf in Griekenland verzamelde hij een immense collectie van wetenswaardigheden over literatuur, filosofie, geschiedenis en taalkunde. Terug in Rome werkte Aulus Gellius dit materiaal uit in de twintig boeken van zijn 'Noctes Atticae', genoemd naar de vele nachtelijke studie-uren van zijn verblijf in Athene. In het vijftiende boek (XV.17.1-3) vertelt Gellius een ‘muzikale’ anekdote over de jeugdjaren van de roemruchte, maar ijdele Alkibiades.
Anoniem grafepigram, Voor Pareltje (2e-3e eeuw n.C.)
In het British Museum wordt een fraaie marmeren grafstèle bewaard met een bijzonder epigram (CIL VI 29896) voor het overleden hondje Margarita ('Pareltje'). Het anonieme gedicht, wellicht geschreven in Rome tijdens de tweede of derde eeuw n.C., verwijst in het eerste vers naar een grafgedicht voor Vergilius, maar valt vooral op door de menselijke manier waarop het hondje vanuit het graf tot ons spreekt. Het is duidelijk dat Pareltje een bijzonder huisdier moet zijn geweest, geliefd en betreurd door haar ongetwijfeld aristocratische Romeinse baasjes.
Keizer Hadrianus, Mijn dartel hartje (138 n.C.)
In de biografie van keizer Hadrianus (76-138 n.C.) in de 'Historia Augusta' is ook een dubbelzinnig en vaak vertaald gedichtje opgenomen dat de keizer in 138 n.C. zelf zou hebben geschreven in Baiae, aan de Italiaanse kust.
