Pascasius Justus Turcq (Paschier Joosz Turck, ca. 1520-nà 1591) werd geboren in Eeklo en studeerde als volwassene filosofie en geneeskunde aan diverse Italiaanse universiteiten. Na zijn terugkeer in de Nederlanden werd hij stadsarts in Bergen op Zoom, maar ook lijfarts van verschillende vooraanstaande notabelen. Toen Willem van Oranje op 18 maart 1582 in Antwerpen tijdens een moordaanslag door een kogel werd getroffen, was het Pascasius die het bloeden wist te stelpen en het leven van de beroemde staatsman redde. Tijdens zijn verblijf in Padua schreef Turcq zijn twee boeken 'Alea, sive de curanda ludendi in pecuniam cupiditate' (‘Het dobbelspel, of over het genezen van de drang om voor geld te spelen’). Het werk is uniek omdat het gokverslaving op een medische manier benadert, zonder het a priori als een moreel falen te categoriseren. Turcq presenteert gokken als een speelse activiteit die echter tot dwangmatig gedrag kan leiden waarvan men zich nauwelijks nog kan bevrijden. In het voorwoord van zijn 'Alea' zet de auteur gokverslaving als een geestesziekte naast de reeds voldoende bestudeerde passionele liefde.
Heinrich Cornelius Agrippa, Over de superioriteit van de vrouw (1529)
Heinrich Cornelius Agrippa (1486-1535) werd geboren in het Duitse Nettesheim en studeerde aan de universiteit van het nabijgelegen Keulen en later in Parijs. Als jongeling trok hij naar Spanje om er als huurling dienst te doen in het leger van keizer Maximiliaan I. Daarna werd Agrippa een beschermeling van Margaretha van Oostenrijk en bracht een carrière als theoloog, medicus, magiër en jurist hem naar Frankrijk, Italië, Duitsland en Zwitserland. Een groot deel van zijn intellectuele werk was gewijd aan occulte thema’s en aan problematische theologische kwesties, die hem meermaals blootstelden aan verdenkingen wegens ketterij, gevangenschap en vervolging. Daarnaast is Agrippa echter ook de auteur van een opmerkelijke tekst met de titel 'Declamatio de nobilitate et praecellentia foeminei sexus' (‘Redevoering over de voortreffelijkheid en superioriteit van het vrouwelijke geslacht’, 1529). Het werk gaat in tegen de misogyne Griekse, Romeinse en Bijbelse traditie en betoogt dat vrouwen door sociale conditionering, opvoeding en voordelen de hele geschiedenis werden onderdrukt, ondanks hun superieure kwaliteiten. Agrippa’s proto-feministische betoog kende een grote verspreiding en werd nog vele eeuwen gedrukt, vertaald en becommentarieerd.
Andrzej Krzycki, Vijf stappen om te sterven voor de liefde (1537)
Andrzej Krzycki (Andreas Cricius, 1482-1537) werd geboren in een vooraanstaaande familie uit Krzycko Małe, een plaatsje in het huidige Polen. Zijn gegoede afkomst stelde hem in staat om retoriek, kerkelijk én burgerlijk recht te gaan studeren in Italië, onder meer aan de universiteit van Bologna. Krzycki trad vervolgens in dienst van de Poolse koning Sigismund I en startte bovendien een kerkelijke carrière die hem de titel van bisschop en uiteindelijk zelfs die van aartsbisschop zou opleveren. Tijdens zijn leven schreef Krzycki proza en poëzie, zowel in het Pools als in het Latijn. Een groot deel van zijn Latijnse œuvre is gelegenheidspoëzie, maar daarnaast schreef hij ook religieuze dichtkunst en verzen die het Poolse hofleven bezingen. Een kleiner segment van Krzycki’s Latijnse dichtkunst wordt ingenomen door epigrammen en liefdesgedichten. In 'Ad amicam quinque lineae amoris' of 'Tot zijn liefje, de vijf fasen van de liefde' ('Carmina amatoria' XVII) alludeert de dichter op de traditionele vijf ‘stappen’ in de liefde: visus, allocutio, tactus, osculum en coitus.
Heinrich Bebel, Een lul van een priester (1508)
Heinrich Bebel (Henricus Bebelius, ca.1473-1518) was een grote Duitse humanist uit de renaissance. Als professor poëzie en retoriek aan de universiteit van Tübingen verzorgde hij diverse tekstuitgaven, maar ook eigen publicaties in het Latijn. Tot Bebels werken behoren onder meer het allegorische epos 'Triumphus Veneris', een lofrede voor keizer Maximiliaan I (die hem tot 'poeta laureatus' kroonde) en een spreekwoordenboek met de titel 'Proverbia Germanica'. Zijn populairste werk was echter de 'Facetiae', een collectie van 441 grappige anekdotes en fabels, verdeeld over drie boeken. De auteur plaatst zich daarmee in een lange traditie die natuurlijk vooral bekend is om de 'Facetiae' van Poggio Bracciolini (1380-1459). Bebel benadrukt in zijn voorwoord de nood om in het drukke leven af en toe ontspanning te vinden in grappen en grollen. Hij excuseert zich regelmatig voor sommige obscenere verhalen en voor zijn voortdurende kritiek op de clerus, al voegt hij er graag aan toe dat het hypocriete en libertijnse gedrag van priesters en monniken nu eenmaal spot en smaad uitlokt, zoals in 'Facetiae' I.55.
Juan Latino, De zeeslag bij Lepanto (1573)
De slag bij Lepanto was een van de grootse zeeslagen uit de wereldgeschiedenis. In de buurt van het huidige Naupaktos, aan de nauwe ingang van de Korinthische Golf, ging een geallieerde vloot onder bevel van ‘Don Juan’ van Oostenrijk op 7 oktober 1571 de confrontatie aan met de Ottomaanse armada. De meer dan tweehonderd christelijke schepen haalden een overwinning op de moslims en zorgden zo voor een immense vreugde in Europa. Een van de opmerkelijkste Neolatijnse lofzangen op deze glorieuze zege werd verrassend genoeg geschreven door een slaaf van zwart-Afrikaanse afkomst. Juan de Sessa, beter bekend als ‘Juan Latino’ (ca. 1518-ca. 1595) was een zwarte slaaf uit Ethiopië, die omwille van zijn talenten samen met de zoon van zijn Spaanse meester werd opgeleid. Hij excelleerde in klassieke talen en muziek, studeerde aan de universiteit van Granada en zou er later zelfs Latijn doceren. In het eerste boek van zijn epos 'Austrias Carmen' beschrijft Juan Latino de gruwelijke gevechten bij Lepanto.
Richard Croke, Een pleidooi voor de studie van het Grieks (1520)
Richard Croke (ca. 1489-1558) was de grote apostel van het hellenisme in Engeland. Na voorbereidende studies in zijn thuisland trok hij naar Parijs om er Grieks te leren bij Girolamo Aleandro (1480-1542) en Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536), die een steun en rolmodel zou worden tijdens zijn vroege carrière. Croke ging vervolgens ook zelf Grieks doceren, onder meer in Leuven, Keulen en Leipzig. Eens zijn reputatie was gevestigd, keerde hij terug naar Engeland, om er in Cambridge de studie van het Grieks uit te bouwen. In het eerste van zijn Latijnse 'Orationes duae' verdedigt Croke de intrinsieke waarde van de Griekse taal en spoort hij zijn studenten aan tot efficiënt 'time management' en volharding. Zijn bevlogen redevoeringen maakten zoveel indruk dat koning Henry VIII hem naar het hof riep om ook zelf Grieks te kunnen leren. Later zou Croke zelfs naar Italië worden gestuurd om daar de beruchte echtscheiding van de koning te gaan bepleiten.
Marco Girolamo Vida, De kruisweg van Jezus (1535)
Marco Girolamo Vida (ca. 1485-1566) zag het levenslicht in Cremona en werd na studies in Mantua, Bologna en Padua priester en uiteindelijk zelfs bisschop. Tijdens zijn leven schreef hij een indrukwekkende hoeveelheid Neolatijnse poëzie, zoals de didactische gedichten 'De arte poëtica' (‘Over de kunst van het dichten’) en 'Scacchia ludus' (‘Het schaakspel’). Vida’s magnum opus was echter de 'Christias', een episch dichtwerk in zes boeken over het leven van Jezus Christus, in een volmaakt vergiliaanse taal en stijl. De 'Christias' werd geschreven opdracht van paus Leo X (1475-1521), maar raakte pas vele jaren na diens dood gepubliceerd. Vida’s meesterwerk groeide daarna uit tot het populairste christelijke epos van de renaissance: het kende niet alleen talloze drukken en vertalingen, maar beïnvloedde ook het werk van grote dichters als Torquato Tasso en John Milton. In zijn vijfde boek beschrijft de dichter het leed van Jezus tijdens zijn kruisweg op Goede Vrijdag.
Realdo Colombo, Eureka! De clitoris! (1559)
Realdo Colombo (ca. 1515-1559) was de zoon van een apotheker uit Cremona. Na studies in Milaan en Venetië ging hij geneeskunde studeren aan de universiteit van Padua, waar op dat moment de grote Andreas Vesalius (1514-1564) doceerde. Omwille van zijn chirurgische talent werd Colombo niet enkel Vesalius’ vriend en assistent, maar later zelfs zijn opvolger aan de universiteit. Van daaruit trok hij verder om anatomie te gaan doceren in Pisa en Rome, waar hij onderzoek deed met zijn goede vriend Michelangelo (1475-1564). Colombo’s enige gepubliceerde werk, 'De re anatomica', verscheen kort na zijn dood in 1559 en bevatte talloze correcties bij het werk van Vesalius en andere medici. Bij zijn bespreking van de vrouwelijke geslachtsorganen in boek XI claimt de auteur ook persoonlijk de ontdekking van de clitoris. In werkelijkheid was dit bijzondere plekje reeds bekend bij Griekse, Perzische en Arabische medische auteurs, maar Colombo lijkt de eerste te zijn geweest die de vinger legde op de essentiële functie van de clitoris bij de vrouwelijke seksualiteitsbeleving.
Jacopo Sannazaro, De geboorte van Christus (1526)
Jacopo Sannazaro (1458-1530), geboren in Napels, was een van de grootste Neolatijnse dichters uit Italië. Een aanzienlijk deel van zijn leven bracht hij door in de hofhouding van belangrijke vorsten, maar later trok hij zich terug om zich volledig aan het schrijven te wijden. Naast zijn Italiaanse bucolische vertelling 'Arcadia', schreef Sannazaro gedurende zijn hele leven ook Latijnse verzen. Aan zijn Latijnse meesterwerk zou hij zelfs meer dan twintig jaar hebben gevijld: 'De partu Virginis' (‘De bevalling van de Maagd’), een uniek voorbeeld van humanistische religieuze poëzie in Vergiliaanse hexameters. In het tweede boek van dit werk beschrijft de dichter de wonderbaarlijke geboorte van Jezus Christus.
Johannes Flemingus, Tranen om Neaera (ca. 1550)
Johannes Flemingus (Jan Vleminck, ca. 1527-1568), heer van Wijnegem, reisde in zijn jeugdjaren de beschaafde wereld rond en vertoefde overal in de hoogste kringen. Als bankier, koopman en mecenas speelde hij vervolgens een vooraanstaande rol in het economische en culturele leven van Antwerpen. Flemingus was echter ook een groot humanist met een opmerkelijk dichterlijk talent. Van zijn Neolatijnse gedichten is een selectie bewaard dankzij zijn innige vriend, de arts en taalkundige Goropius Becanus. In een van deze zestien overgebleven gedichten beweent Flemingus – volledig in het spoor van Janus Secundus – het vertrek van zijn liefje ‘Neaera’.
Janus Secundus, Door Cupido getroffen (ca. 1531)
'Onze' Janus Secundus (1511-1536) is natuurlijk onsterfelijk geworden door zijn 'Basia', een collectie van negentien weergaloze zoengedichten. Door het overweldigende succes van die dichtbundel heeft de rest van Secundus' omvangrijke oeuvre jammer genoeg veel minder aandacht gekregen. Zo schreef het jonggestorven wonderkind onder meer ook drie boeken 'Elegieën', waarvan het eerste deel 'Monobiblos' wordt genoemd en integraal gewijd is aan Secundus' liefje Julia. In het openingsgedicht van die bundel vertelt de dichter hoe hij getroffen werd door de pijlen van zijn meester Cupido.
Giovanni Pontano, Een bloem van een meisje (1502)
De grote Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) is ongetwijfeld een van de allerbeste Neolatijnse dichters. In zijn omvangrijke oeuvre bevindt zich ook een minder goed bekende collectie 'Tumuli', twee boeken grafgedichten voor echte en imaginaire overledenen. Het eerste boek bevat een aangrijpend gedicht (I.51) waarin de geest van het jonggestorven meisje Jelsemina de voorbijganger aanspreekt. De god Hymenaeus heeft Jelsemina intussen veranderd in een bloem, misschien wel de gele jasmijn of 'Gelseminum sempervirens'.
Marc-Antoine Muret, De zegens van Latijn en Grieks (1583)
Marc-Antoine Muret (‘Muretus’, 1526-1585) was een van de grootste Franse humanisten uit de zestiende eeuw. Hij kende een bewogen leven dat hem als professor bracht naar talloze steden in Frankrijk en Italië. Muretus liet ook een omvangrijk en gevarieerd Latijns oeuvre achter, met zowel proza (redevoeringen, commentaren en brieven) als poëzie (tragedies, elegieën, satiren, oden en epigrammen). In een van zijn redevoeringen (Oratio XVIII) zingt hij de lof van de schoonheid en de universele bruikbaarheid van de klassieke talen Latijn en Grieks.
Olaus Magnus, De kunst van het skiën (1555)
Olaus Magnus (Olof Månsson, 1490-1557) was een Zweedse rooms-katholieke geleerde, diplomaat en aartsbisschop. In 1555 verscheen zijn Historia de gentibus septentrionalibus (‘Geschiedenis van de noordelijke volken’), een omvangrijke geschiedenis, geografie en etnografisch-folkloristische beschrijving van Scandinavië, die een immense populariteit kreeg in heel Europa. In het werk staat ook de alleroudste gedetailleerde beschrijving van de kunst van het (tour)skiën, door Olaus Magnus gesitueerd in Scricfinnia, in het huidige Noorwegen.
Joachim du Bellay, Voor de deur van Faustina (1558)
Joachim du Bellay (ca. 1522-1560) is natuurlijk vooral bekend omwille van zijn Franse poëzie en zijn lidmaatschap van de dichterskring de 'Pléiade'. Tijdens een lang verblijf in Rome schreef hij echter ook een ruime collectie Neolatijnse gedichten, die in 1558 in Parijs werden gepubliceerd. In zijn bundel elegieën onder de titel Amores beschrijft du Bellay onder meer een liefdesaffaire met het Romeinse meisje Faustina, zoals in dit korte 'paraklausithyron' (de liefdesklacht voor een gesloten deur).
Olympia Fulvia Morata, Brief vanop haar sterfbed (1555)
De Italiaanse Neolatiniste Olympia Fulvia Morata (1526-1555) was een vastberaden protestante, die met haar echtgenoot naar Duitsland vluchtte voor de inquisitie. Bij de gewelddadige inname van Schweinfurt verloor ze quasi al haar geschriften en tevens haar goede gezondheid. Op 26 oktober 1555 schrijft ze vanop haar sterfbed een laatste Latijnse brief aan haar mentor 'Caelius Secundus Curio'.
Giovanni Pietro Maffei, Thee in Japan (1589)
Giovanni Pietro Maffei (Maffeus, 1533-1603) was een Italiaanse Jezuïet. In het twaalfde boek van zijn 'Historiarum Indicarum libri XVI' behandelt hij de Japanse wereld, met onder meer een uitweiding over de plaatselijke theecultuur.
George Buchanan, Een zoen die leven geeft (1584)
De Schot George Buchanan (1506-1582) bracht een groot deel van zijn bewogen leven door in Frankrijk. Zijn Neolatijnse oeuvre bestaat uit psalmen, lyriek, drama, historiografie, maar ook epigrammen, zoals deze fraaie lofzang op de revitaliserende zoenen van Neaera.
Vincent Obsopoeus, De kunst van het drinken (1536)
De Duitse humanist en Neolatijnse dichter Vincent 'Obsopoeus' Heidnecker (ca. 1498-1539) publiceerde in 1536 een 'De arte bibendi'. In navolging van Ovidius' 'Ars amatoria' leert hij ons in drie boeken hoe te drinken met mate, hoe vrienden te maken op een receptie en hoe drinkwedstrijden te winnen. Dit is zijn aanhef.
Jacopo Sannazaro, Van nimfen tot wilgen (1526)
Jacopo Sannazaro (1456-1530) was een van de grootste Neolatijnse dichters van de Italiaanse renaissance. In zijn epyllion 'Salices' (1526) ontsnapt een schare nimfen slechts aan de achtervolging van geile saters door te veranderen in wilgen. Hun metamorfose vindt plaats in deze slotscène.
Julius Caesar Stella, Columbus op weg (1585)
De Italiaanse dichter Giulio Cesare Stella (1564-1624) ofte Julius Caesar Stella publiceerde in 1585 een Neolatijns epos over de ontdekking van de Nieuwe Wereld door Christoffel Columbus: de 'Columbeis'. Na Stella's aanhef bevinden we ons meteen op de Atlantische Oceaan.
Janus Lernutius, Boos op Isabelle (ca. 1583)
De grote Brugse Neolatijnse dichter Janus Lernutius (1545-1619) schreef met zijn stadsgenoot Victor Giselinus een collectie Catullusparodieën, waarvan dit gedichtje (Manes Catulli 62) speelt met Catullus 72.
Justus Lipsius, Voor Juventia (1569)
Justus Lipsius (1547-1606) schrijft een Catulliaans gedichtje voor het meisje Juventia.
