Baptista ‘Spagnoli’ Mantuanus (1447-1516) kwam voort uit een Spaanse familie die zich had gevestigd in het Italiaanse Mantua. Na studies in zijn geboortestad en in Padua bouwde hij een succesvolle religieuze carrière uit bij de orde van de Karmelieten. Zijn hele leven door bleef Mantuanus daarnaast ook schrijven aan een omvangrijk Latijns oeuvre dat bestaat uit diverse prozawerken en meer dan 55 000 verzen. Zo publiceerde hij 'Parthenice Mariana' (1481), drie boeken ter ere van de Maagd Maria; 'De Calamitatibus temporum' (1489), drie immens populaire boeken over de rampen die het Italië van zijn dagen overkwamen; en de 'Alphonsus', over Alfonso van Aragon. Veruit Mantuanus’ invloedrijkste dichtwerk was echter zijn 'Adulescentia' (1498), een collectie van tien eclogen waarin hij Vergiliaanse pastorale personages en thema’s combineerde met christelijke allegorie. Zijn herdersgedichten leverden hem de naam de ‘christelijke Vergilius’ op en werden nog eeuwenlang op school gelezen. Bijzonder populair was Mantuanus’ vierde ecloge, waarin de dichter zijn herdersfiguur Alphus een virulente diatribe laat afsteken tegen het vrouwengeslacht.
Enea Silvio Piccolomini, De adembenemende lieflijkheid van Lucretia (1444)
Toen Enea Silvio Piccolomini (1405-1464) in Rome was verkozen tot paus Pius II, werd hij achtervolgd door vervelende demonen uit zijn verleden. In zijn jeugd had hij namelijk een liederlijk leven geleid, buitenechtelijke kinderen verwekt en zelfs gerebelleerd tegen de pauselijke almacht. Maar nu hij na een korte kerkelijke carrière paus was geworden, bezorgde niets hem zoveel verdriet en schaamte als de erotische novelle die hij destijds had geschreven: 'Historia de duobus amantibus' (‘Een verhaal van twee geliefden’). Piccolomini deed er dan ook alles aan om zijn pikante liefdeshistorie, wellicht gebaseerd op ware feiten, van de aardbol te doen verdwijnen. Zijn moeite was echter tevergeefs, want de tekst was intussen immens populair en groeide na de dood van de auteur zelfs uit tot een iconische bestseller. Het verhaal over de overspelige liefde tussen Lucretia en Euryalus, die worden verscheurd door de strijd tussen hart en verstand, hun gloeiende passie en de pijnlijke gevolgen, is ook voor een hedendaags leespubliek intrigerende lectuur. In het begin van zijn novelle beschrijft Piccolomini uitgebreid de eclatante schoonheid van zijn vrouwelijke hoofdpersonage Lucretia.
Conrad Celtis, Een nacht met Hasilina (ca. 1490)
Conrad Celtis (1459-1508) was een van de invloedrijkste vroege Duitse humanisten. Na zijn studies in Keulen en Heidelberg werd hij door Keizer Frederik III (1415-1493) gekroond tot 'poeta laureatus' en reisde hij als dichter en docent zowat heel Europa af. Bij zijn terugkeer vatte hij het plan op om de humanistische vernieuwing in zijn vaderland te propageren door het stichten van academies en de uitbouw van een intellectueel netwerk. Celtis liet een indrukwekkende literaire erfenis na van Latijnse gedichten, geografisch prozawerk en diverse tekstedities, waarmee hij het enthousiasme voor het humanistische gedachtegoed in Duitsland heeft gegrondvest. In zijn postuum verschenen 'Libri odarum' (1513) staat een hendecasyllabisch liefdesgedicht voor Hasilina, een getrouwde vrouw op wie hij in 1489 in Krakow verliefd was geworden. Celtis was namelijk ook een notoire rokkenjager, waardoor hij een syfilisbesmetting opliep die hem in 1508 uiteindelijk fataal zou worden.
Jan Adornes, De vrouwen van Alexandrië (1471)
Jan (Johannes) Adornes (1444-1511) was de oudste zoon van de bekende Brugse humanist Anselm Adornes. Samen met zijn vader trok hij in 1470 op pelgrimstocht naar het Heilige Land, een reis die hen via Genua, Tunis, Egypte en de Sinaï uiteindelijk naar Jeruzalem bracht. Na hun terugkeer via Damascus, Beiroet, Cyprus, Rhodos en Brindisi zette Jan Adornes zich thuis in Brugge aan het schrijven van een gedetailleerd en levendig 'Itinerarium'. Dankzij de nieuwsgierige en tolerante blik van de pelgrims vormt dit reisverslag ook nu nog niet alleen erg boeiende lectuur, maar ook een onschatbare bron voor de laatmiddeleeuwse cultuurgeschiedenis. Zo bevindt het reisgezelschap zich midden juli 1470 in de Egyptische havenstad Alexandrië, waar ze de kledij bewonderen van de plaatselijke moslimvrouwen.
Desiderius Erasmus, De macht van Cupido (1487?)
De grote Desiderius Erasmus van Rotterdam (ca. 1467-1536) staat natuurlijk vooral bekend om zijn monumentale prozawerken, zoals zijn 'Lof der Zotheid', zijn 'Adagia' en zijn immense Latijnse correspondentie. Tijdens de eerste helft van zijn leven besteedde hij echter evenveel energie aan het componeren van poëzie als aan het schrijven van proza. Erasmus’ omvangrijke dichterlijke oeuvre behandelt vooral opvoedkundige, politieke en theologische thema’s, maar er komt ook liefdespoëzie in voor, zoals een vroege 'Elegie over de machtige Cupido met zijn boog en pijlen', waarvan hier de beginverzen.
Flavio Biondo, Een ketterse sekte (1474)
De Italiaanse humanist Flavio Biondo (1392-1463) is de auteur van het monumentale Italia illustrata, een historische geografie waarin hij veertien regio's van het Italische schiereiland beschrijft. In zijn behandeling van de regio Piceno (boek III) voegt Biondo een markante uitweiding in over een plaatselijke ketterse beweging die zich tegen de pausen van Rome verzette.
Guillaume Caoursin, De belegering van Rhodos (ca. 1482)
Guillaume Caoursin (1430-1501) was als Franse hospitaalridder in 1480 ooggetuige van de belegering van Rhodos door de Ottomanen onder leiding van Mehmed Pasha. In zijn populaire 'Obsidionis Rhodiae urbis descriptio' beschrijft hij hoe de eendrachtige katholieke en orthodoxe verdedigers van de stad een ultimatum van de Ottomanen van de hand wezen.
Giovanni Marrasio, Voor de goddelijke Angelina (ca. 1429)
Giovanni Marrasio († 1452) was afkomstig uit het Siciliaanse Noto, maar bracht een groot stuk van zijn leven door in Siena en Ferrara. Daar ontwikkelde hij zich te midden van grote tijdgenoten tot een van de eerste Neolatijnse dichters. Marrasio's 'Angelinetum' (ca. 1429) is een bundel liefdesgedichten voor zijn liefje Angelina en daaruit komt dit zesde gedicht: 'Ad divam Angelinam' ('Voor de goddelijke Angelina').
Michael Marullos, De gaven van Neaera (ca. 1488)
Michael Marullos (Μιχαήλ Μάρουλλος, ca. 1453-1500) was een kind van Griekse ouders die na de val van Constantinopel naar Italië waren gevlucht. Daar werd hij niet alleen huursoldaat, maar ook een prominente Neolatijnse dichter. Zo schreef Marullos onder meer een rijke collectie van bijna tweehonderd Epigrammata, in diverse metra en met uiteenlopende thema's. Zijn epigram II.48 is een lofzang voor het bekoorlijke, maar evenzeer gesofisticeerde meisje 'Neaera'.
Giovanni Pontano, Ik wil jou naturel! (ca. 1500)
De Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) was niet alleen een veelzijdig historicus en filosoof, maar ook een van de meest virtuoze Neolatijnse dichters. Een groot deel van zijn dichterlijke oeuvre bestaat uit elegante, soms pikante, maar altijd sprankelende liefdespoëzie, zoals dit korte 'Ad puellas' (Eridanus II.9).
Cristoforo Buondelmonti, Over het eiland Santorini (ca. 1420)
De Florentijnse monnik en reiziger Cristoforo Buondelmonti (ca. 1385- ca. 1430) schreef rond 1420 een 'Liber Insularum Archipelagi'. Het werk, dat lange tijd louter in manuscript is gebleven, bevat kaarten en een beschrijving van tientallen eilanden in de Griekse wereld, zoals ook van Santorini.
Antonio Beccadelli, Voor Lentulus (1425)
Antonio Beccadelli ('Panormità', 1394-1471) is een van de interessantste figuren uit de vroege Italiaanse renaissance. Hij werd vooral bekend om zijn collectie obscene en provocatieve Neolatijnse gedichten 'Hermaphroditus' (1425), waaruit dit epigrammetje voor 'Lentulus'.
Cyriacus van Ancona, Een mythische zeetocht (1444)
De antiquariër en proto-archeoloog Cyriacus van Ancona (ca. 1391-ca.1455) beschrijft in een brief hoe hij op 2 april 1444 met een 'moederschip' en twee kleinere schuitjes vanuit Chios voer naar Foglia Nuova (het antieke Fokaia).
Enea Silvio Piccolomini, Voor Cinthia XVI (ca. 1431-1435)
Enea Silvio Piccolomini (1405-1464) componeerde voor zijn 'Cinthia' een collectie erotische gedichten, maar toen hij in 1458 tot paus Pius II werd verkozen, deed hij deze verzen liever verdwijnen. In de 19e eeuw kwamen ze echter terug boven water.
Maffeo Vegio, Supplementum Aeneidos, vss. 302-315 (1428)
In zijn Supplementum of dertiende boek van de Aeneis beschrijft Maffeo Vegio (1407-1458) de capitulatie van koning Latinus.
