In de universiteitsbibliotheek van Gent wordt het originele auteurshandschrift bewaard van het 'Liber Floridus', een indrukwekkende middeleeuwse encyclopedie samengesteld door Lambertus van Sint-Omaars (ca. 1061-ca.1121?). Het omvangrijke manuscript bevat een synopsis van een brede waaier aan teksten, samengesteld als een boeket bloemen waar meer dan twintig jaar aan werd gewerkt. Tussen de kleurrijke afbeeldingen en kaarten bestaat Lambertus’ meesterwerk vooral uit excerpten van klassieke auteurs en kerkvaders, maar ook teksten van eigentijdse middeleeuwse schrijvers. Op de folio’s 108v-110r geeft de samensteller bijvoorbeeld een verkorte versie van een brief die Adso (910/920-992), de abt van het klooster van het Franse Montier-en-Der, had geschreven naar de West-Frankische koningin Gerberga (ca. 913-969/984). De brief is getiteld 'De ortu et tempore Antichristi' (‘Over de oorsprong en de tijd van de Antichrist’) en was een van de bekendste middeleeuwse beschrijvingen van de Antichrist en zijn apocalyptische schrikbewind.
Petrus Pictor, Lof van Vlaanderen (ca. 1110)
Petrus Pictor (‘Pieter de Schilder’) was de zoon van een zekere Johannes en was wellicht actief tijdens het laatste kwart van de elfde en eerste kwart van de twaalfde eeuw. Hij was als kanunnik verbonden aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen, misschien als miniaturist of kopiist in het scriptorium. Op naam van Petrus Pictor zijn een achttiental Latijnse gedichten overgeleverd, die handelen over de oudheid, over wantoestanden in de Kerk en over de verdorvenheid van vrouwen. Het bekendste van zijn dichtwerken is ongetwijfeld 'De laude Flandriae' ofte 'Lof van Vlaanderen', dat gedateerd wordt rond het jaar 1110. Het werk bezingt de glorie van Vlaanderen en haar geschiedenis in 44 hexameters die rijmen vóór de cesuur en aan het verseinde. Op het einde van het gedicht, dat niet op alle punten even duidelijk is en best wel wat historische achtergrond veronderstelt, lijkt Pictor afscheid te nemen van Vlaanderen. Deze (gedwongen?) ballingschap vult de dichter echter met melancholie en heimwee naar zijn geliefde vaderland.
Pseudo-Ovidius, Tegen vrouwen (12e eeuw)
In de twaalfde eeuw kende de antieke dichter Ovidius (43 v.C.-17 n.C.) een ongekende populariteit, zozeer zelfs dat deze eeuw wel eens de ‘Aetas Ovidiana’ (‘Eeuw van Ovidius’) wordt genoemd. In deze hoogdagen van de Ovidius-adoratie zetten ook vele anonieme dichters zich aan het imiteren van hun grote voorbeeld. Dat resulteerde in een groot corpus van ‘pseudo-Ovidiana’ dat soms als de 'Appendix Ovidiana' wordt aangeduid. Een van de talrijke werkjes in deze verzameling is een kort gedicht met de titel 'Contra Mulieres' (‘Tegen vrouwen’). De tekst gaat in iets meer dan dertig verzen fel tekeer tegen het vrouwelijke geslacht en laat zich ondanks het geveinsde auteurschap van Ovidius er niet van weerhouden om zijn onversneden misogynie kracht bij te zetten met een Bijbels referentiekader.
Pseudo-Ovidius, De hartstocht van Pamphilus (12e eeuw)
Een van de invloedrijkste pseudo-Ovidiaanse werkjes uit de twaalfde eeuw is het anoniem overgeleverde 'Pamphilus sive de amore' (‘Pamphilus, ofte over de liefde’), een komisch stuk in 780 elegische verzen. Het gedicht was erg populair in het klaslokaal en zou via excerpten, vertalingen en anthologieën op diverse wijzen doorwerken in de volkstalige en Latijnse literatuur van de late middeleeuwen. In het verhaal wordt de ‘held’, Pamphilus, verliefd op de maagdelijke Galatea, maar durft hij haar aanvankelijk nauwelijks te benaderen, getroffen als hij is door haar buitenaardse schoonheid.
Robert de Monnik, Urbanus II roept op tot de Eerste Kruistocht (ca. 1107-1120)
Op 27 november 1095 hield de zestigjarige paus Urbanus II op een veld bij Clermont-Ferrand voor een grote menigte een van de meest invloedrijke toespraken uit de wereldgeschiedenis. Met een meeslepende retoriek en een groteske evocatie van gruwelijke en blasfemische taferelen deed hij de verontwaardiging van zijn toehoorders zo oplaaien dat ze de wapens opnamen om Jeruzalem van de moslims te bevrijden. De meest indrukwekkende versie van Urbanus’ succesvolle redevoering, die het startsein vormde voor eeuwenlange bloederige kruistochten, kan men lezen in de 'Historia Hierosolimitana' van Robertus Monachus (ca. 1055-1122).
Pseudo-Ovidius, Een lofzang voor je meisje (ca. 1130-1140)
In de twaalfde eeuw (de 'aetas Ovidiana') schreef een anonieme dichter in navolging van Ovidius' Ars amatoria ook zelf een handleiding tot de liefde. In dit 'De amore' demonstreert hij bijvoorbeeld hoe je een meisje het best kunt verleiden met een uitgebreide lofzang op haar schoonheid (vss. 83-104).
