Glukon, Grafschrift voor Pantheia (ca. 2e eeuw n.C.)

Binnen de discipline van de Griekse epigrafie nemen private grafinscripties een bijzondere plaats in. Ze laten ons kennis maken met het intieme leven van gewone mensen en hun omgang met nagedachtenis, verlies en verdriet. Een kleine minderheid van deze grafinscripties is opgesteld in verzen, overwegend elegische disticha. Met het gebruik van metrische inscripties maakte een toenemend aantal geletterde mensen in de oudheid aanspraak op sociale status en 'paideia', in het bijzonder door het verwerken van allusies op klassieke teksten zoals de homerische epen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het grafepigram dat de dokter Glukon liet maken voor zijn overleden vrouw en collega-arts Pantheia. De tekst werd in de eerste of tweede eeuw n.C. gegraveerd op een marmeren stèle en is afkomstig uit Pergamon. Glukon schetst er de knappe Pantheia als een unieke vrouw die haar huishoudelijke en opvoedkundige taken liefdevol wist te combineren met haar professionele leven als arts.

Loukianos (?), Over het zangtalent van keizer Nero (tweede eeuw n.C.)

Op naam van de beroemde Griekse satiricus Loukianos (ca. 125-180 n.C.) is een korte dialoog bewaard onder de titel 'Nero of het graven door de Isthmos'. Het auteurschap van de tekst is echter zwaar betwist en de meeste specialisten gaan er tegenwoordig van uit dat het werkje wellicht van de hand is van dezelfde Philostratos (ca. 170-ca. 247 n.C.) die ook 'Het Leven van Apollonios' heeft geschreven. Hoe het ook zij, in deze intrigerende dialoog bespreken een zekere Menekrates en de beroemde filosoof Musonius Rufus (eerste eeuw n.C.) de poging van keizer Nero om een kanaal te graven door de Isthmos, de smalle landengte die het Griekse vasteland verbindt met de Peloponnesos. De discussie, die zich kennelijk afspeelt op het Egeïsche eiland Gyara, dwaalt uiteindelijk af naar het thema van Nero’s zangcarrière en muzikale talenten. Volgens Musonius is de keizer heus niet zo’n slechte zanger, zolang hij zich maar beperkt tot wat hij met zijn bescheiden talenten aankan. Van zodra hij echter hogere ambities koestert, botst hij op de grenzen van zijn fysieke kunnen en wordt zijn optreden al snel potsierlijk en lachwekkend.

Julia Balbilla, Het beeld van Memnon groet keizer Hadrianus (130 n.C.)

Vrouwelijke stemmen uit de oudheid zijn bijzonder zeldzaam, maar toch valt er hier en daar nog iets verrassends te vinden. Julia Balbilla (Ἰουλία Βαλβίλλα, 72-130 n.C.) was een prinses van het hellenistische vorstendom Kommagene in het huidige Turkije, maar groeide op in het huishouden van haar grootvader Antiochus IV in Rome. Vanaf 129 n.C. reisde Balbilla mee als hofdame in het gezelschap van keizer Hadrianus naar Egypte. Tijdens zijn rondreis bezocht de keizer onder meer de twee reusachtige ‘kolossen van Memnon’, waarvan één volgens Pausanias (ca. 115-180 n.C.) iedere zonsopgang een geluid liet horen. Naar aanleiding van Hadrianus’ bezoek aan deze attractie schreef Julia Balbilla vier archaïserende epigrammen, die als inscripties op de linkervoet van een van de beelden zijn achtergelaten. Het eerste van deze gedichten beschrijft hoe het beeld de grote keizer Hadrianus tot driemaal toe begroette en hem zo als een gunsteling van de goden vereeuwigde.