In het voorwerk van zijn Libellus de lacte et operibus lactariis (Zürich 1541) nam de Zwitserse bioloog, filoloog en arts Conrad Gessner (1516-1565) een Latijnse brief op naar zijn vriend Jakob Vogel, waarin hij als een van de eersten het toen nog prille enthousiasme voor de bergwereld evoceerde.

Want wat een genot is het toch -vind je niet?- wat een verrukkelijk gevoel voor een hart dat zich terecht laat raken, om de immensiteit in de ogen te zien bij het aanschouwen van de grootsheid van de bergen en om je hoofd als het ware tussen de wolken te tillen! Ik weet niet hoe het komt, maar mijn ziel wordt getroffen door deze verbluffende hoogtes en wordt meegesleurd naar mijmeringen over de ultieme architect van dit alles.
Quanta enim voluptas, quantae sunt putas animi, ut par est affecti, deliciae, montium moles immensa spectando admirari et caput tanquam inter nubes attollere? Nescio quo pacto altitudine stupenda mens percellitur, rapiturque in summi illius architecti consyderationem.

Mensen met een bekrompen geest hebben nergens bewondering voor, ze zitten futloos thuis in plaats van het theater van de wereld in te stappen, neen, ze zitten liever weggestopt in hun hoekje als hazelmuizen tijdens de winter. Ze zijn er zich niet van bewust dat het mensengeslacht op de wereld is gezet om op basis van deze wonderen te komen tot het besef van iets grootser, van het hoogste opperwezen zelf. Ze zijn zo lijdzaam en apathisch dat ze net als varkens altijd maar naar de grond kijken, zonder ooit met het hoofd ophoog de hemel te aanschouwen, zonder ooit hun gezicht naar de sterren op te richten. Zo wentelen ze zich dus in de modder of liggen ze achterover, in de ban van winstbejag en banale bezigheden.
Quibus vero socors est animus, nihil mirantur, domi torpent, non prodeunt in mundi theatrum, latitant in angulo ut glires per hyemem, non cogitant hominum genus in mundo constitutum esse, ut ex eius miraculis maius quidpiam, summum ipsum colligeret numen. Tanta laborant ignavia, ut tanquam sues semper in terram aspiciant, nunquam ore sublimi coelum intueantur, erectos nunquam tollant ad sydera vultus. Volutentur igitur illi in luto, lucro et illiberalibus studiis attoniti iaceant.

Maar mensen voor wie de wijsheid aan het hart ligt zullen onafgebroken de wonderen aanschouwen van dit aardse paradijs, en dit met de ogen van het lichaam én met de ogen van de ziel. Te midden van deze wonderen wordt het ultieme spektakel gevormd door de hoogtes en de grillige toppen van de bergen, hun ontoegankelijke afgronden, hun ontzaglijke flanken die reiken naar de hemel, hun steile rotswanden en hun donkere bossen.
Sapientiae studiosi pergent terrestris huius paradisi spectacula co[r]poreis animisque oculis contemplari: inter quae minime postrema sunt, aedita praeruptaque montium fastigia, inaccessa praecipitia, ad coelum tendens laterum immanitas, rupes arduae, opacae sylvae.


