Calpurnius Siculus, Een frisse lente (1e eeuw n.C.)

Calpurnius Siculus is een Romeinse dichter uit het midden van de eerste eeuw n.C., over wiens leven zo goed als niets met zekerheid is geweten. De naam ‘Siculus’ suggereert wellicht dat hij uit Sicilië afkomstig was, maar daarnaast kunnen we verdere biografische elementen enkel maar afleiden uit zijn werken. Calpurnius Siculus is de auteur van zeven pastorale gedichten die – in navolging van Vergilius – als Eclogae bekend staan. De dichter treedt met zijn herdersgedichten duidelijk in de voetsporen van zijn grote voorbeeld, maar legt ook zijn eigen accenten. Zo zijn Siculus’ Eclogae nog sterker verbonden met de politieke realiteit van zijn tijd en vermengen ze pastorale idealisering van het platteland met politiek geladen verwijzingen naar de sociale ongelijkheid en onzekerheid van het corrupte stadsleven. De taal van Calpurnius Siculus is soepel en toegankelijk, zijn stijl is helder, elegant en rijk aan beeldspraak. In zijn vijfde herdersgedicht beschrijft Siculus de veelvuldige zorgen die een nijverige herder bij het aanbreken van de lente moet besteden aan zijn schapen en geiten.
Je laat de schaapjes op het veld, de geitjes in de struiken,
zodra de zon opkomt en langs de berg begint te klimmen 30
om in zijn prille omloop zacht de ochtend te verwarmen.
Heb jij wat tijd terwijl de zon de morgenkoude wegjaagt,
dan vullen ’s morgens vroeg gezwollen uiers al je kuipen
en doen ze heerlijk schuimen. Melk die ’s avonds werd verkregen
wordt op zijn beurt tot kaas geperst in ochtendlijke uren.
Maar spaar het jonge moederdier, laat winstbejag niet zorgen
dat kaas die je verkoopt ten koste gaat van witte lammeren,
want net die kleintjes moet je met bijzondere liefde koesteren.
En schaam je er niet voor, wanneer je ’s nachts je kudde opzoekt,
en als een ooi die net bevallen is er slapjes bijligt, 40
haar op je schouders mee te nemen en haar bange kleintjes
die nog niet kunnen rechtstaan in je warme schoot te dragen.