Eobanus Hessus, Maria Magdalena’s brief aan Jezus (1514)

Helius Eobanus Hessus (1488-1540) werd geboren in het Duitse Halgehausen, volgde de Latijnse school in Frankenberg en ging studeren aan de universiteit van Erfurt, waar hij uiteindelijk professor Latijn werd. Hij verzamelde er tal van uitmuntende humanisten om zich heen en nam deel aan het politieke, religieuze en literaire leven. Na een kleine tussenperiode als arts, kwam Hessus terecht in Nürnberg als docent in de letteren. Op uitnodiging van de landgraaf van Hesse trok hij vervolgens naar Marburg, waar hij dichtkunst en geschiedenis doceerde en ten slotte ook overleed. Tijdens zijn leven schreef Hessus een omvangrijk Latijns oeuvre samen, bestaande uit historische poëzie, idyllen, epigrammen en veel gelegenheidsdichtkunst. Zijn populairste dichtwerken waren vertalingen van de Psalmen in disticha en van de Ilias in hexameters. Hessus’ origineelste poëzie was echter zijn collectie christelijke Heroides, waarmee hij - in de voetsporen van Ovidius - brieven schreef in naam van heilige vrouwen. In een van die briefgedichten richt Maria Magdalena zich tot Christus en evoceert ze haar gevoelens nadat ze Jezus’ graf op paaszondag leeg heeft aangetroffen.
De dageraad had nog niet alle ochtendlicht ontstoken
en amper bracht de nieuwe dag haar trillend schijnsel aan:
ik nam een kostbaar flesje met een goddelijke balsem
om het levenloze lichaam in te wrijven met die zalf.
Twee vrouwen die precies als ik dezelfde voornaam hadden
begaven zich vol vreugde met mij samen op die tocht.
We kwamen aan de plek van de recent gesloten tombe,
maar het grote, logge marmerblok lag op zijn zij gedraaid. 70
En kijk eens: rechts daarvan verscheen (we konden het niet geloven)
de wondere gedaante van een onbekende man.
Geen sneeuw was blanker dan zijn kleed, geen goud puur als zijn haren,
zijn fraaie ogen glansden met een weidse glinstering.
We hielden halt en deinsden terug, door plotse schrik getroffen,
maar hij vroeg ons geen angst te hebben, want hij sprak als volgt:
“Maria’s, als je hier komt rouwen, hoef je niets te vrezen,
je zoekt naar Jezus, maar men zag dat hij is weggegaan.
Hij trekt naar Galilea’s buiten, net als hij voorspelde.
Zorg dat je Petrus en de leerlingen dit alles meldt.” 80
Ik was verheugd bij dat gesprek uw naam te mogen horen,
al liet hij ons – dat denk ik toch – weer achter, stomverbaasd.
Zelf ging ik weer, volledig in de war en angstig, zitten
en vond een droeve zitplaats op de koude marmersteen,
want nieuwe vreugde voelde door de lange rouw nog treurig
en tranen kwamen nu van blijdschap, dan weer van verdriet.
En kijk: toen ik mij voegde bij mijn vluchtende vriendinnen,
zag ik u daar, of hield uw spookbeeld mij soms voor de gek?
Maar neen, ik zag u zeker. Ja, dat ik u aangeraakt heb
en mij ook aan uw vrome voeten vleide, was geen droom! 90
Ik verheug mij en verheerlijk graag uw zege boven alles,
maar groter is het verdriet nu uw gezicht niet meer te zien.
Zolang het kon heb ik u, Christus, hoogst devoot verheerlijkt
en dat ik u mocht zien schonk mij een bovenaardse rust.