Pseudo-Vergilius, Een vloed van lava (ca. 1e eeuw n.C.)

De Appendix Vergiliana is een bonte collectie Latijnse gedichten die in de oudheid en de middeleeuwen werden toegeschreven aan Vergilius (70-19 v.C.), maar waarvan moderne filologen aannemen dat ze niet door hemzelf zijn gecomponeerd. De collectie kwam wellicht tot stand doordat latere kopiisten minder bekende, anonieme teksten aan Vergilius’ authentieke oeuvre koppelden om hun prestige te vergroten. De teksten van de Appendix Vergiliana vertonen echter een grote variatie in stijl, thematiek en literaire kwaliteit, zodat ze moeilijk het werk kunnen zijn van één auteur. Binnen de verzameling wordt een speciale plaats ingenomen door de Aetna, een didactisch gedicht dat een natuurfilosofische verklaring probeert te geven voor de werking van vulkanen, met een bijzondere aandacht voor de Etna. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit de vroege keizertijd en omvat 644 verzen, al is het in de huidige vorm misschien niet integraal bewaard. In een aparte passage vertolkt de auteur zijn fascinatie voor de kolossale kracht van een lavastroom.
Zoals wanneer gesteente in een oven wordt gebakken
en al het gesmolten erts vanbinnen door de gaatjes wegvloeit,
zo ook verliest de lavasteen materie en wordt lichter,
de vloeistof kookt steeds heter en begint zelfs meer te lijken
op een rivier die zachtjes voortstroomt totdat hij uiteindelijk 485
in golven langs de glooiing van de hoge heuvels afglijdt.
Zo vloeit de lava langzaam zelfs tot tweemaal zeven mijlen,
want niets stopt deze vlammenzee en niets kan het weerhouden,
neen, niets beheerst zo’n oerkracht, tevergeefs is alle weerstand.
Hier drijven bos en rots in vuur en daar geeft grond of aarde 490
zelf voedsel aan de vlammen en verbergt zich in de vuurstroom.
Zelfs als de vloed diep in een dal eens hapert en blijft steken,
dan vreet het zich toch wentelend weg als in een vlakke weide;
de stroom verdubbelt nog in kracht, de starre golven brullen.