Petrus Pictor, Lof van Vlaanderen (ca. 1110)

Petrus Pictor (‘Pieter de Schilder’) was de zoon van een zekere Johannes en was wellicht actief tijdens het laatste kwart van de elfde en eerste kwart van de twaalfde eeuw. Hij was als kanunnik verbonden aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen, misschien als miniaturist of kopiist in het scriptorium. Op naam van Petrus Pictor zijn een achttiental Latijnse gedichten overgeleverd, die handelen over de oudheid, over wantoestanden in de Kerk en over de verdorvenheid van vrouwen. Het bekendste van zijn dichtwerken is ongetwijfeld De laude Flandriae ofte Lof van Vlaanderen, dat gedateerd wordt rond het jaar 1110. Het werk bezingt de glorie van Vlaanderen en haar geschiedenis in 44 hexameters die rijmen vóór de cesuur en aan het verseinde. Op het einde van het gedicht, dat niet op alle punten even duidelijk is en best wel wat historische achtergrond veronderstelt, lijkt Pictor afscheid te nemen van Vlaanderen. Deze (gedwongen?) ballingschap vult de dichter echter met melancholie en heimwee naar zijn geliefde vaderland.
O, Vlaanderen, mijn zoete grond, gezegend boven alles,
uw roem raakt aan het hemelruim, vermaard door grootse graven.
O, Vlaanderen, u, Frankrijks eer en algehele sterkte
en vrees van Engeland, u streeft de edele keizerskroon na!
O, Vlaanderen, u baarde grootse hertogen en vorsten,
en nobele leiders, nobele vrouwen en verheven ridders.
O, Vlaanderen, u paarde Bertha aan de Franse koning
en schonk de vorst van Engeland de heerlijke Mathilde.
O, Vlaanderen, ooit komt er uit uw vorstelijke stamboom
een vrouw die worden verbonden in een bruiloft met de keizer. 10
O, Vlaanderen, zelfs aan de Denen bood u een vorstin aan,
om haar als heerseres van de Apuliërs te installeren.
Groots Vlaanderen, u gaf een bruid de prins uit Antiochië,
wier fonkelende gelaat het licht der sterren overstraalde.
O, Vlaanderen, in bruiloftsband verbond u de Bourgondiërs
en maakte u bij hen opnieuw geliefd door al uw sterktes.
O, Vlaanderen, ik verzwijg nog dat u Jeruzalem ooit afwees
en het krijgersvolk der Turken van die stad heeft afgeslagen.
O, Vlaanderen, zond u niet Boudewijn en Godfried samen
om met hun trouwe legers woest de Perzen te bedwingen? 20
O, Vlaanderen, u maakte onze graaf tot vaandeldrager
van zoveel edele ridders die de Turken niet graag zagen.
O, Vlaanderen, u, machtig land beschermd door Robrechts handen,
laat God uw heerser zijn en zichtbaar met zijn almacht zegenen.
O, Vlaanderen, als ik betracht uw lof en roem te zingen,
dan kost het mij zelfs minder moeite iedere ster te tellen
en ook al klonk dan overal een Cicero in mijn woorden,
dan nog kon ik uw eminente grootsheid niet verwoorden.
O, Vlaanderen, u bent een huis van vruchtbaarheid en weelde,
want u bevat een overvloed van zoveel duizend dingen, 30
uw voorspoed maakt u vaderland van vele vaderlanden,
beheerd en vormgegeven door uw edele eigen burgers.
O, Vlaanderen, als ik denk aan uw grootsheid en uw glorie,
dan wil ik vaak terug en voel ik steeds weer nieuwe liefde,
maar als ik angst gewaarword, wil u naar de hemel reiken,
ikzelf blijf liever op de grond dan doodsgevaar te lijden.
O, Vlaanderen, moge u met Gods wil alle leed verdrijven
en moge ik met wil en gunst van God uw burger blijven,
ja, moge ik met Gods gunst mijn geboorteland bezoeken,
dat naar Gods wil en plan de schenker is van zoveel rijkdom. 40
Dus, Vlaanderen, ik groet u, mijn vroom Vlaanderen, land van vromen,
ik groet u en begroet u, edel Vlaanderen, land van edelen,
ik zegen en ik groet u, nobel Vlaanderen, land van nobelen,
ik zegen u steeds weer, mijn Vlaanderen, land van mijn geliefden.