Heinrich Cornelius Agrippa (1486-1535) werd geboren in het Duitse Nettesheim en studeerde aan de universiteit van het nabijgelegen Keulen en later in Parijs. Als jongeling trok hij naar Spanje om er als huurling dienst te doen in het leger van keizer Maximiliaan I. Daarna werd Agrippa een beschermeling van Margaretha van Oostenrijk en bracht een carrière als theoloog, medicus, magiër en jurist hem naar Frankrijk, Italië, Duitsland en Zwitserland. Een groot deel van zijn intellectuele werk was gewijd aan occulte thema’s en aan problematische theologische kwesties, die hem meermaals blootstelden aan verdenkingen wegens ketterij, gevangenschap en vervolging. Daarnaast is Agrippa echter ook de auteur van een opmerkelijke tekst met de titel Declamatio de nobilitate et praecellentia foeminei sexus (‘Redevoering over de voortreffelijkheid en superioriteit van het vrouwelijke geslacht’, 1529). Het werk gaat in tegen de misogyne Griekse, Romeinse en Bijbelse traditie en betoogt dat vrouwen door sociale conditionering, opvoeding en voordelen de hele geschiedenis werden onderdrukt, ondanks hun superieure kwaliteiten. Agrippa’s proto-feministische betoog kende een grote verspreiding en werd nog vele eeuwen gedrukt, vertaald en becommentarieerd.
De man is dus een product van de natuur, maar de vrouw is het kunstwerk van God. En daarom toont de vrouw zich doorgaans ook ontvankelijker dan de man voor de goddelijke glorie en is ze er vaak van vervuld, hetgeen men ook vandaag nog makkelijk kan zien in haar elegante verfijning en haar wonderbaarlijke liefelijkheid. Aangezien schoonheid op zich immers niets anders is dan het gezicht van het goddelijke en een schittering van licht dat in de dingen is ingebed, straalt zij uit mooie lichamen naar voren. Welnu, deze schoonheid gaf er inderdaad de voorkeur aan zich op te houden in vrouwen eerder dan in mannen en hen er rijkelijk mee te voorzien. Vandaar dat het vrouwelijke lichaam zo uitermate heerlijk is om te zien en te voelen. Haar vlees is teer, haar teint is helder en stralend, haar huid glimt, haar hoofd is bekoorlijk, haar haren zijn verrukkelijk, haar lokken zijdezacht, glanzend en soepel, haar gezicht is eerzamer, haar blik vrolijker, haar gelaat het mooiste van alles, haar hals is melkblank, haar voorhoofd wijd, groots en prachtig. Ze heeft sprankelende, twinkelende ogen waarin een beminnelijke dartelheid en charme zich verenigen, met daarboven haar wenkbrauwen, bestaande uit delicate boogjes die op lieftallige afstand door een even bevallige open ruimte van elkaar worden gescheiden. In het midden daarvan daalt dan haar neus af, symmetrisch en evenwichtig geproportioneerd, met daaronder haar rozige mondje, verlokkelijk door de evenwichtige positie van haar frêle lipjes. En als ze teder glimlacht, fonkelen daartussen haar tanden, klein en in een rechte rij geplaatst en glimmend als glanzend ivoor. Ze heeft er minder dan een man, omdat ze nu eenmaal minder gulzig is en minder vraatzuchtig. Daarrond bollen dan haar kaken en haar wangen, zacht en teer en schroomvol blozend met een rozige gloed. En dan is er nog haar ronde kin, charmant en met een schattig putje.
Vir itaque naturae opus, mulier opificium Dei. Ideoque mulier divini splendoris plerumque viro capacior, saepeque plena existit, quod etiamnum, ex munditia et pulchritudine ipsius mirifica facile videre licet. Nam cum pulchritudo ipsa nihil est aliud quam divini vultus, atque luminis splendor rebus insitus, per corpora formosa relucens. Is certe mulieres prae viris habitare ac replere abundantissime elegit. Hinc mulieris corpusculum omni aspectu tactuque delicatissimum, caro tenerrima, color clarus et candidus, cutis nitida, caput decorum, caesaries venustissima, capilli molles, lucidi et protensi, vultus augustior, prospectusque hilarior, facies omnium formosissima, cervix lactea, frons expeditus, spatiosus et splendidus, oculos habet vibrantiores, micantioresque, amabili hilaritate, et gratia contemperatos, supra hos supercilia in tenuem gyrum composita, eademque cum decora planitie, decenti distantia divisa, e quorum medio descendit nasus, aequalis et intra rectum modum cohibitus, sub quo os rutilum, et tenellis labris conformi compositione venustum intra quae tenui risu, dentes emicant, minutili et aequo ordine locati, eburneo candore nitentes, illorumque quam viro paucior numerus quod neque edax neque mordax. Circumsurgunt maxillae, genaeque, tenera mollitie roseo fulgore rubentes, verecundiaeque plenae, ac mentum orbiculare, decenti concavitate iucundum.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd