Jordanes (of Jordanis) was een Oost-Romeinse historicus van Gotische afkomst. Hij is de auteur van een Latijnse Romana over de geschiedenis van Rome, maar zijn bekendste werk is De origine actibusque Getarum, kortweg Getica, geschreven in Constantinopel omstreeks 551 n.C. Jordanes zou dit werk naar eigen zeggen hebben aangevat op vraag van een vriend en bedoeld als een samenvatting van de erg omvangrijke geschiedenis van de Goten van Cassiodorus (ca. 490-ca. 583 n.C.). Omdat het originele werk van Cassiodorus echter verloren is gegaan, vormt Jordanes’ Getica een van de belangrijkste bronnen voor de eeuwenlange migraties van Ostrogoten en Visigoten naar het Romeinse Rijk. De auteur beschrijft hierin onder meer de invasie van de Hunnen in het gebied van Goten en Alanen. Dat brengt Jordanes er ook toe het schrikaanjagende uiterlijk en de ruwe barbaarsheid van de Hunnen uit de doeken te doen (XXIV.127-128).
Bij de mensen die zij in oorlog wellicht nauwelijks de baas konden, veroorzaakten ze niettemin zo’n grote angst door hun schrikaanjagende gezichten, dat ze hen in paniek op de vlucht deden slaan. Dat komt omdat hun donkere gelaat huiveringwekkend was en het – als ik dat zo mag zeggen – meer op een soort van vormeloze homp leek in plaats van op een gezicht, met gaten erin in plaats van ogen. Hun mentale moed komt naar voren in hun angstaanjagende voorkomen en ze gaan zelfs tegen hun eigen kinderen tekeer vanaf de dag waarop ze geboren worden. Bij de jongetjes snijden ze immers met een zwaard in de wangen om hen, nog vooraleer ze de voeding van melk hebben gekregen, te leren om wonden te verdragen. Het resultaat is dat ze baardeloos oud worden en hun jongemannen niets van bevalligheid vertonen, omdat een gezicht dat met ijzer is doorploegd de gepaste schoonheid van de haartjes bij dat litteken heeft weggenomen. Ze zijn kort van gestalte maar vinnig en snel van beweging, ze zijn uitermate geschikt voor paardrijden, hebben brede schouders, zijn slagvaardig met boog en pijlen en hebben een stevige nek die ze altijd vol trots rechtop houden. Ze mogen dan wel op het eerste zicht leven als mensen, maar het zijn eigenlijk wilde beesten.
Nam et quos bello forsitan minime superabant, vultus sui terrore nimium pavorem ingerentes, terribilitate fugabant, eo quod erat eis species pavenda nigridinis et velut quaedam, si dici fas est, informis offa, non facies, habensque magis puncta quam lumina. Quorum animi fiducia turvus prodet aspectus, qui etiam in pignora sua primo die nata desaeviunt. Nam maribus ferro genas secant, ut ante quam lactis nutrimenta percipiant, vulneris cogantur subire tolerantiam. Hinc inberbes senescunt et sine venustate efoebi sunt, quia facies ferro sulcata tempestivam pilorum gratiam cicatricis absumit. Exigui quidem forma, sed argutis motibus expediti et ad equitandum promptissimi, scapulis latis, et ad arcos sagittasque parati firmis cervicibus et superbia semper erecti. Hi vero sub hominum figura vivunt beluina saevitia.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd