Joseph Tusiani, In het metrostel (1994)

Joseph Tusiani (1924-2020) werd geboren in San Marco in Lamis, een klein dorpje in het Italiaanse Puglia. Met een doctoraatstitel van de universiteit van Napels op zak emigreerde hij in 1947 naar de Verenigde Staten, waar hij zijn leven lang taal en literatuur zou doceren aan verschillende universiteiten. Tusiani was daarnaast ook een ijverig schrijver en vertaler die publiceerde in het Italiaans, Engels, Latijn en Gargano, het dialect van zijn geboortestreek. Zijn veelzijdige oeuvre omvat poëzie, vertalingen, essays, een roman en een driedelige autobiografie, een literaire productie die hem talrijke prijzen opleverde, in Amerika en Italië. Tusiani’s Latijnse dichtwerken Melos Cordis (1955), Rosa Rosarum (1984), In Exilio Rerum (1985), In Nobis Caelum (2007) en de verzamelbundel Carmina Latina (1994) maken hem bovendien tot een van de belangrijkste hedendaagse Latijnse dichters. In het ritmische gedicht In vehiculo subviario evoceert hij de menigte die iedere ochtend op weg naar het werk opeengepakt staat in de drukke metro van New York.
Iedere dag en iedere maand weer
aan de haltepost van Fordham,
als een wolk het eerste daglicht
door een spleet doet binnenglippen,
zonder vrede, zonder rusten,
altijd weer om te gaan werken,
wacht mij die mobiele kamer:
’t onderaardse metrotreinstel.
Als ellendige sardienen
staan daar ’s morgens vroeg de mensen, 10
welbekende onbekenden,
treurig, stom, dooreengehusseld,
driemaal of zelfs viermaal gapend,
moeders, zonen, dochters, vaders,
nonkels en ook broers te samen.
De stroom loopt diep en diep en diep.
De stroom loopt diep en diep en diep.
Iemand slaapt, er leest een ander,
Iemand dekt haar decolleté af,
iemand anders wrijft zijn ogen, 20
maar iets zeggen, dat doet niemand.
De stroom loopt diep en diep en diep.
De stroom loopt diep en diep en diep.
’k Ondervraag alle gezichten
en denk bij mezelf in stilte:
“Wie van hen zal er hier morgen
niet meereizen? Wat brengt deze
nieuwe dag voor al die mensen?
Winden van het leven slaan ons.”
De stroom loopt diep en diep en diep. 30
De stroom loopt diep en diep en diep.
Als men wil bestaan en leven
moet een mens nu wel gaan werken.
Werken, werken, werken, werken,
Waarom? Waarom? Waarom? Waarom?
Wat is toch dit korte leven
dat vliegt als een lichte schaduw?
Wat is lijden, wat is liefde?
Waarom iedere dag dat schreeuwen?
Wat ben ik, wat zijn die reizigers? 40
In terneergeslagen stemming
laat ik mij vervoeren, voeren,
maar ik weiger te erkennen
dat je tot je dood moet werken.
Plots stopt de vervloekte herrie:
gierend gaan de deuren open.
Duwend, trekkend, vooruitdringend,
val ik bijna zelf voorover,
’k Laat de helse massa achter
en stap buiten vlug de straat op. 50
Daar wacht werk, de loop des levens,
die me steeds opnieuw weer knevelt.