Andrzej Krzycki (Andreas Cricius, 1482-1537) werd geboren in een vooraanstaaande familie uit Krzycko Małe, een plaatsje in het huidige Polen. Zijn gegoede afkomst stelde hem in staat om retoriek, kerkelijk én burgerlijk recht te gaan studeren in Italië, onder meer aan de universiteit van Bologna. Krzycki trad vervolgens in dienst van de Poolse koning Sigismund I en startte bovendien een kerkelijke carrière die hem de titel van bisschop en uiteindelijk zelfs die van aartsbisschop zou opleveren. Tijdens zijn leven schreef Krzycki proza en poëzie, zowel in het Pools als in het Latijn. Een groot deel van zijn Latijnse œuvre is gelegenheidspoëzie, maar daarnaast schreef hij ook religieuze dichtkunst en verzen die het Poolse hofleven bezingen. Een kleiner segment van Krzycki’s Latijnse dichtkunst wordt ingenomen door epigrammen en liefdesgedichten. In Ad amicam quinque lineae amoris of Tot zijn liefje, de vijf fasen van de liefde (Carmina amatoria XVII) alludeert de dichter op de traditionele vijf ‘stappen’ in de liefde: visus, allocutio, tactus, osculum en coitus.
Ik sterf als ik je aankijk en ik word compleet krankzinnig,
toch wil ik duizend ogen om jou goed te kunnen zien.
Ik sterf steeds weer als jij mij met een teder woordje aanspreekt,
toch wil ik duizend oren hebben als je met me praat.
Ik sterf wanneer jij dan je zachte armen om mijn hals legt, 5
toch wil ik graag een eeuwigheid zo vastgebonden zijn.
Ik sterf als jij met roze lipjes op mijn lippen afgaat,
toch wil ik onze monden zo voor eeuwig op elkaar.
Ik sterf als ik in bed ten slotte met jou ben verstrengeld,
en toch wil ik daar liever blijven liggen voor altijd. 10
O goden! Leeft er iemand zo krankzinnig op de wereld?
Ik hunker en verlang naar wat mij steeds weer sterven doet.
Depereo, dum te demens contemplor, habere
te tamen, aspiciens, lumina mille velim.
Depereo, quotiens verbum mihi reddis amicum,
mille tam totiens auribus esse velim.
Depereo, imponis nostro dum bracchia collo, 5
vinctus perpetuo sic tamen esse velim.
Depereo, roseis captas dum labra labellis,
iuncta tuis semper sic tamen esse velim.
Denique depereo lecto dum iungimur uno,
et tamen aeternum sic iacuisse velim. 10
O superi! Quis me vivit dementior alter?
Hoc sequor, hoc cupio, quo pereo assiduo.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd