Heinrich Bebel, Een lul van een priester (1508)

Heinrich Bebel (Henricus Bebelius, ca.1473-1518) was een grote Duitse humanist uit de renaissance. Als professor poëzie en retoriek aan de universiteit van Tübingen verzorgde hij diverse tekstuitgaven, maar ook eigen publicaties in het Latijn. Tot Bebels werken behoren onder meer het allegorische epos Triumphus Veneris, een lofrede voor keizer Maximiliaan I (die hem tot 'poeta laureatus' kroonde) en een spreekwoordenboek met de titel Proverbia Germanica. Zijn populairste werk was echter de Facetiae, een collectie van 441 grappige anekdotes en fabels, verdeeld over drie boeken. De auteur plaatst zich daarmee in een lange traditie die natuurlijk vooral bekend is om de Facetiae van Poggio Bracciolini (1380-1459). Bebel benadrukt in zijn voorwoord de nood om in het drukke leven af en toe ontspanning te vinden in grappen en grollen. Hij excuseert zich regelmatig voor sommige obscenere verhalen en voor zijn voortdurende kritiek op de clerus, al voegt hij er graag aan toe dat het hypocriete en libertijnse gedrag van priesters en monniken nu eenmaal spot en smaad uitlokt, zoals in Facetiae I.55.
Over nog een andere priester

Ik zou me er eigenlijk moeten voor schamen zoveel dwaasheden van priesters aan het licht te brengen, als zij niet gewoon zelf zo schaamteloos waren om zich op die manier te gedragen. Ik ken namelijk nog een andere priester: toen hij eens tijdens een nachtelijke drinkpartij met enkele plattelandslieden aan het zuipen was, kwamen ze overeen om hun mannelijke geslachtsdelen tevoorschijn te halen en wie met het grootste ‘gereedschap’ was uitgerust zou dan de hele rekening betalen. De priester haalde de eerste prijs in de wacht en hij begon openlijk de loftrompet over zichzelf af te steken, zowel in mijn gezelschap als bij anderen. Hij schiep er ook over op dat dit hem bij de vrouwtjes al heel vaak voordeel had opgeleverd. Hij werd echter gestraft door de bisschop met een boete van tien goudstukken.