Zoengedichten zijn een van de meest intrigerende fenomenen uit de Latijnse literatuurgeschiedenis. Antieke zoenmotieven uit de verzen van Catullus en de Anthologia Graeca vonden in de renaissance hun weg naar de Neolatijnse poëzie van Italiaanse humanisten en staken vervolgens ook de Alpen over. In de Lage Landen werd Latijnse kuspoëzie zelfs een ware hype dankzij de onovertroffen Janus Secundus (1511-1536), die met zijn Basia als het ware een dichterlijk subgenre creëerde. Secundus’ negentien zoengedichten werden bij ons vooreerst geadoreerd en geïmiteerd door Janus Dousa sr. (1545-1609) uit Leiden en Janus Lernutius (1545-1619) uit Brugge. Een latere en minder bekende Secundus-epigoon was Pieter Van der Straten (Petrus Stratenus, 1616-1641). Hij werd geboren te Goes, studeerde in Leiden en promoveerde te Orléans, om uiteindelijk stadssecretaris te worden in zijn moederstad. Na zijn vroegtijdige dood werden Stratenus’ verzamelde gedichten uitgegeven onder de titel Venus Zeelanda et alia eius Poemata, met daarin onder meer een collectie van negentien Basia. In zijn Basium VIII bezingt de dichter de rozige zoenen van zijn liefje Chloë.
Koralen kleuren heerlijk rood verborgen in het zeevlak
en rozen in de ochtend als de lente net begint,
of de godin die ’s morgens vrolijk rozig in de hemel
haar vierspan ment als teken van de terugkeer van de zon.
Ja, rood kleurt ook de hemels zoete honingmond van Venus 5
als zij de geile Mars soms heimelijk in haar lakens lokt.
Maar niets lijkt als de blos op Chloë’s vlinderende lipjes,
wanneer ik met mijn lippen op haar wulpse lipjes druk.
Dulce rubent subducta corallia ponto
et matutinae vere ineunte rosae.
Et, quae laeta suae caelo rubicunda quadrigas
mane reversuri nuntia solis agit.
Et Veneris mellita rubent suave ora, furentem 5
cum Martem occulto provocat in thalamo.
Suavius at vaga labra Chloës candescere vidi
cum premerem labiis blanda labella meis.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd