Op naam van de beroemde Griekse satiricus Loukianos (ca. 125-180 n.C.) is een korte dialoog overgeleverd met de titel Nero of het graven door de Isthmos. Het auteurschap van de tekst wordt echter zwaar betwist en de meeste specialisten gaan er tegenwoordig van uit dat het werkje wellicht van de hand is van dezelfde Philostratos (ca. 170-ca. 247 n.C.) die ook Het Leven van Apollonios heeft geschreven. Hoe het ook zij, in deze intrigerende dialoog bespreken een zekere Menekrates en de beroemde filosoof Musonius Rufus (eerste eeuw n.C.) de poging van keizer Nero om een kanaal te graven door de Isthmos, de smalle landengte die het Griekse vasteland verbindt met de Peloponnesos. De discussie, die zich kennelijk afspeelt op het Egeïsche eiland Gyara, dwaalt uiteindelijk af naar het thema van Nero’s zangcarrière en muzikale talenten. Volgens Musonius is de keizer heus niet zo’n slechte zanger, zolang hij zich maar beperkt tot wat hij met zijn bescheiden talenten aankan. Van zodra hij echter hogere ambities koestert, botst hij op de grenzen van zijn fysieke kunnen en wordt zijn optreden al snel potsierlijk en lachwekkend.
"Wel, Menekrates, eigenlijk verdient zijn stemklank geen bewondering, maar evenmin hoongelach. De natuur heeft hem gewoonweg een matig talent gegeven waar je geen kritiek kunt op geven. Zijn stem klinkt van nature hol en laag omdat zijn keel diep is. Door die natuurlijke constitutie klinkt er tijdens het zingen een soort gebrom. Niettemin laat de toon van zijn stemgeluid hem soepeler klinken, althans op de momenten dat hij niet te veel terugvalt op zijn eigen aanleg, maar zich toelegt op zachte aanpassingen in articulatie, op een aantrekkelijke melodie, op virtuoos citerspel en op een goede timing bij het stappen, het stilstaan en het bewegen, maar ook op de synchronisatie van zijn hoofdbewegingen bij de muziek. Het enige gênante is natuurlijk wanneer een koning de impressie geeft dat hij op dit vlak de absolute perfectie wil beheersen. Nu, mocht hij de mensen die hem overtreffen willen nabootsen, aiai, wat een gelach barst dan los onder zijn publiek, ondanks het feit dat er je ontelbare gevaren boven het hoofd hangen, als je het maar zou wagen met hem te lachen. Hij zwaait ook meer dan nodig met zijn hoofd en houdt daarbij zijn adem in, hij gaat dan op de toppen van zijn tenen staan, met zijn benen uiteen en zijn lichaam naar achter gebogen alsof hij op een wiel is gebonden. Hij is van nature al rood van huid, maar hij wordt dan nog roder en zijn gezicht gaat gloeien, omdat zijn adem gering is en in zekere zin niet toereikend."
"Ἀλλ’ ἐκεῖνός γε, ὦ Μενέκρατες, οὔτε θαυμασίως ἔχει τοῦ φθέγματος οὔτ’ αὖ γελοίως· ἡ γὰρ φύσις αὐτὸν ἀμέμπτως τε καὶ μέσως ἥρμοκε. φθέγγεται δὲ κοῖλον μὲν φύσει καὶ βαρύ, ἐγκεκειμένης αὐτῷ τῆς φάρυγγος· μέλη δ’ οὕτω κατεσκευασμένης βομβεῖ πως. οἱ δέ γε τόνοι τῶν φθόγγων ἐπιλεαίνουσι τοῦτον, ἐπεὶ μὴ θαρρεῖ αὑτῷ, χρωμάτων δὲ φιλανθρωπίᾳ καὶ μελοποιίᾳ εὐαγώγῳ μὲν δὴ καὶ κιθαρῳδίᾳ εὔσταλεῖ καὶ <τῷ> οὗ καιρὸς βαδίσαι καὶ στῆναι καὶ μεταστῆναι καὶ τὸ νεῦμα ἐξομοιῶσαι τοῖς μέλεσιν, αἰσχύνην ἔχοντος μόνου τοῦ βασιλέα δοκεῖν ἀκριβοῦν ταῦτα. εἰ δὲ μιμοῖτο τοὺς κρείττονας, φεῦ γέλωτος, ὡς πολὺς τῶν θεωμένων ἐκπίπτει καίτοι μυρίων φόβων ἐπηρτημένων, εἴ τις ἐπ᾽ αὐτῷ γελῶν εἴη, νεύει μὲν γὰρ τοῦ μετρίου πλέον ξυνάγων τὸ πνεῦμα, ἐπ᾽ ἄκρων δὲ διίσταται τῶν ποδῶν ἀνακλώμενος, ὥσπερ οἱ ἐπὶ τοῦ τροχοῦ, φύσει δ᾽ ἐρυθρὸς ὢν ἐρευθεῖ μᾶλλον πιμπραμένου αὐτῷ τοῦ προσώπου, τὸ δὲ πνεῦμα ὀλίγον καὶ οὐκ ἀποχρῶν που δή."
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd