Toen Enea Silvio Piccolomini (1405-1464) in Rome was verkozen tot paus Pius II, werd hij achtervolgd door vervelende demonen uit zijn verleden. In zijn jeugd had hij namelijk een liederlijk leven geleid, buitenechtelijke kinderen verwekt en zelfs gerebelleerd tegen de pauselijke almacht. Maar nu hij na een korte kerkelijke carrière paus was geworden, bezorgde niets hem zoveel verdriet en schaamte als de erotische novelle die hij destijds had geschreven: Historia de duobus amantibus (‘Een verhaal van twee geliefden’). Piccolomini deed er dan ook alles aan om zijn pikante liefdeshistorie, wellicht gebaseerd op ware feiten, van de aardbol te doen verdwijnen. Zijn moeite was echter tevergeefs, want de tekst was intussen immens populair en groeide na de dood van de auteur zelfs uit tot een iconische bestseller. Het verhaal over de overspelige liefde tussen Lucretia en Euryalus, die worden verscheurd door de strijd tussen hart en verstand, hun gloeiende passie en de pijnlijke gevolgen, is ook voor een hedendaags leespubliek intrigerende lectuur. In het begin van zijn novelle beschrijft Piccolomini uitgebreid de eclatante schoonheid van zijn vrouwelijke hoofdpersonage Lucretia.
Haar ogen fonkelden als het licht van de zon en ze konden al wie haar aankeek verblinden. Ja, met die ogen was Lucretia in staat om wie ze maar wilde naar de andere wereld te helpen of, als ze daar zin in had, zelfs doden tot leven te wekken. Haar neusje vormde een rechte lijn die haar rozige wangen mooi in het midden van elkaar scheidde en er was niets lieflijker of bekoorlijker om te zien dan die wangetjes, waar haar lach twee schattige kuiltjes in vormde. Geen mens kon die wangen maar aankijken zonder ze te willen zoenen. Haar mond was klein en gracieus, haar lippen koraalrood en gemaakt om in te knabbelen. Haar kleine, regelmatige tanden leken wel van kristal en het levendige tongetje dat daarlangs glipte, bracht geen woorden voort maar harmonieuze melodieën. En haar bevallige kin en blanke hals, wat moet ik daar nog van zeggen? Er was niets aan haar lichaam dat geen lofzang verdient en haar uiterlijk weerspiegelde haar innerlijke schoonheid. Neen, niemand kon naar Lucretia kijken zonder jaloers te zijn op haar man. Bovendien had ze een mondje vol gevatte spitsvondigheid en ze converseerde zoals Cornelia, de moeder van de Gracchen, of zoals naar men zegt ook de dochter van Hortensius dat deed. Haar taalgebruik was zonder weerga minzaam en bescheiden. Haar fatsoen bracht ze niet tot uiting door een streng gezicht op te zetten, zoals vele vrouwen, maar ze bewees haar eenvoud met een opgewekt gezicht. Ze was niet verlegen, maar ook niet vrijpostig, en droeg in haar vrouwenhart de spirit van een man, gemilderd door behoedzame schroom.
Oculi tanto nitore splendentes ut, in solis modum, respicientium intuitus hebetarent. His illa et occidere quos voluit, poterat et mortuos, cum libuisset, in vitam resumere. Nasus in filum directus, roseas genas aequali mensura disterminabat. Nihil his genis amabilius, nihil delectabilius visu. Quae cum mulier risit, in parvam utrimque dehiscebant foveam. Nemo has vidit, qui non cuperet osculari. Os parvum decensque. Labia corallini coloris ad morsum aptissima. Dentes parvuli et in ordinem positi ex cristallo videbantur, per quos tremula lingua discurrens non sermonem sed harmoniam suavissimam movebat. Quid dicam menti speciem aut gulae candorem? Nihil illo in corpore non laudabile. Interioris formae indicium faciebat exterior. Nemo hanc aspexit qui viro non invideret. Erant insuper in ore eius multae facetiae. Sermo is fuit, qualem rumor est Gracchorum matrem habuisse Corneliam sive Hortensii filiam. Nec suavius aliquid eius oratione nec modestius fuit. Non ut pleraeque tristi facie honestatem ostendebat, sed alacri vultu modestiam. Non timida, non audax, sed temperatum verecundiae metu, virilem animum femineo corde gerebat.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd