Marco Girolamo Vida (ca. 1485-1566) zag het levenslicht in Cremona en werd na studies in Mantua, Bologna en Padua priester en uiteindelijk zelfs bisschop. Tijdens zijn leven schreef hij een indrukwekkende hoeveelheid Neolatijnse poëzie, zoals de didactische gedichten De arte poëtica (‘Over de kunst van het dichten’) en Scacchia ludus (‘Het schaakspel’). Vida’s magnum opus was echter de Christias, een episch dichtwerk in zes boeken over het leven van Jezus Christus, in een volmaakt vergiliaanse taal en stijl. De Christias werd geschreven opdracht van paus Leo X (1475-1521), maar raakte pas vele jaren na diens dood gepubliceerd. Vida’s meesterwerk groeide daarna uit tot het populairste christelijke epos van de renaissance: het kende niet alleen talloze drukken en vertalingen, maar beïnvloedde ook het werk van grote dichters als Torquato Tasso en John Milton. In zijn vijfde boek beschrijft de dichter het leed van Jezus tijdens zijn kruisweg op Goede Vrijdag.
Het daglicht had amper de aarde gezegend toen uit alle hoeken 420
de jeugd van de stad enthousiast toegestroomd kwam, gebrand om te kijken.
Ze vulden de straten, hun toeloop deed alles krioelen en gonzen.
Ze hadden zijn purperen kleed en lachwekkende vorstelijke tekens
verwijderd en trokken hem schreeuwend naar voren, geboeid aan zijn handen,
op weg naar een gruwelijke dood, gevolgd door een massa van mensen.
Hij liep in hun midden, ze sleepten hem voort met een lange streng touwen,
slechts half bij bewustzijn, met trillende leden, vol bloed door de slagen
van voorgaande nacht. Hij droeg op zijn schouders de dubbele balken,
onmenselijke zwaar en oneffen gekapt, vol van knoestige knopen,
het kruishout waarop hij de wereld van mensen weldra zou verlaten 430
en daarmee zijn taak in onnoemelijk leed met zijn dood zou volbrengen.
Ze stonden gewapend rondom hem en vormden een dichte haag schilden,
de glans van hun fonkelende lansen straalde tot ver in de omtrek,
de welvende helm op hun hoofd vonkte fel door een vuurrode helmbos
en bronzen klaroenen herhaalden hun stoten, de een na de ander.
Een deel ging te voet, een deel hees zich hoog op hun rijzige paarden,
een echo van galmende kreten weerklonk in de omliggende heuvels.
Vix terris lux alma aderat, cum iam undique tota 420
urbe ruit studio visendi accita iuventus,
implenturque viae, concursuque omnia fervent.
Et iam purpureos habitus insignia ludicra
exutum, vinctumque manus clamore trahebant
dirum ad supplicium magna sectante caterva.
Per medios longis raptatus funibus ibat
semianimisque artusque tremens plagisque cruentus
nocturnis, humeroque trabem duplicem ipse gerebat
praecisis gravidam nodis ac robore iniquo,
qua super infando mortales linqueret auras 430
supplicio et duros finiret morte labores.
Armati circunsistunt, clypeataque iuxta
agmina densentur; collucent spicula longe
spiculaque et rubris capitum cava tegmina cristis,
aereaque alterno conspirant cornua cantu.
Pars pedes insequitur; pars sese lucidus altis
fert in equis; resonant colles clamore propinqui.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd