Philostratos de Jongere (Φιλόστρατος ὁ Νεώτερος) leefde wellicht in de derde eeuw n.C. en is een vertegenwoordiger van de zogenaamde ‘Tweede Sofistiek’, een culturele periode getypeerd door een hernieuwde belangstelling voor het klassieke Griekse erfgoed. In die tijd was het voor de Grieks-Romeinse elite bon ton om naast literatuur ook beeldende kunsten te bestuderen en te interpreteren. Op naam van deze Philostratos zijn dan ook de Εἰκόνες ofte Imagines overgeleverd, een collectie literaire beschrijvingen van schilderijen waarop mythologische verhalen als in een ekphrasis gedetailleerd tot leven worden gebracht. In het genoemde werk beschrijft Philostratos ook een afbeelding van de legendarische muzikant Orpheus, die bekend stond om zijn vermogen om zelfs dieren en bomen te betoveren met zijn muziek. In het midden van deze tekst focust de auteur op de fascinatie die bomen en vogels ervaren wanneer Orpheus begint te musiceren.
Een pijnboom en een cipres en een els en een populier en alle andere bomen staan rond Orpheus met hun takken vervlochten als waren het handen. Zonder ook maar iets van menselijke techniek creëren ze een gesloten theater rondom hem, zodat de vogels op de takken kunnen zitten en Orpheus kan musiceren in de schaduw. En daar zit de zanger dan, een paar donzige baardhaardjes krullen jeugdig over zijn wangen, op zijn hoofd heeft hij een haarband die fonkelt van gouddraad, zijn blik is sprankelend en energiek en vol goddelijkheid, omdat zijn verstand natuurlijk onophoudelijk goddelijke dingen voor ogen heeft. Wellicht dat hij ook op dit moment iets aan het zingen is, want zijn wenkbrauwen zijn wat opgetrokken alsof ze de betekenis van zijn gezangen vertolken. Zijn gewaad verandert van kleur volgens de diverse bewegingen die hij maakt. Zijn linkervoet rust op de grond en ondersteunt zijn citer, die op zijn dij rust; zijn rechtervoet geeft het ritme aan, want met zijn sandaal tikt hij op de grond. En dan nog zijn handen: zijn rechterhand houdt stevig een plectrum vast en focust op de muzieknoten, zijn ellenboog is wat naar buiten gericht en zijn pols plooit een beetje naar binnen. Zijn linkerhand tokkelt met gestrekte vingers langs de snaren.
Πεύκη τε οὖν καὶ κυπάριττος καὶ κλῆθρος καὶ αἴγειρος αὕτη καὶ ὅσα ἄλλα δένδρα ξυμβάλλοντα τοὺς πτόρθους οἷον χεῖρας περὶ τὸν Ὀρφέα ἕστηκε καὶ τὸ θέατρον αὐτῷ ξυγκλείουσιν οὐ δεηθέντα τέχνης, ἵν᾿ οἱ τε ὄρνιθες ἐπ᾿ αὐτῶν καθέζοιντο καὶ ἐκεῖνος ὑπὸ σκιᾷ μουσουργοίη. Ὁ δὲ κάθηται ἀρτίχνουν μὲν ἐκβάλλων ἴουλον ἐπιρρέοντα τῇ παρειᾷ, τιάραν δὲ χρυσαυγῆ ἐπὶ κεφαλῆς αἰωρῶν τὸ ὄμμα αὐτῷ ξὺν ἀβρότητι ἐνεργὸν καὶ ἔνθεον ἀεὶ τῆς γνώμης ἐς θεολογίαν τεινούσης. Τάχα δὲ τι καὶ νῦν ᾄδει καὶ <ἦρται> ὀφρὺς οἷον ἀποσημαίνουσα τὸν νοῦν τῶν ᾀσμάτων ἐσθής τε αὐτῷ μετανθοῦσα πρὸς τὰς τῶν κινήσεων τροπάς, καὶ τοῖν ποδοῖν ὁ μὲν λαιὸς ἀπερείδων ἐς τὴν γῆν ἀνέχει τὴν κιθάραν ὑπὲρ μηροῦ κειμένην, ὁ δεξιὸς δὲ ἀναβάλλεται τὸν ῥυθμὸν ἐπικροτῶν τοὔδαφος τῷ πεδίλῳ, αἱ χεῖρες δὲ ἡ μὲν δεξιὰ ξυνέχουσα ἀπρίξ τὸ πλῆκτρον ἐπιτέταται τοῖς φθόγγοις ἐκκειμένῳ τῷ ἀγκῶνι καὶ καρπῷ ἔσω νεύοντι, ἡ λαιὰ δὲ ὀρθοῖς πλήττει τοῖς δακτύλοις τοὺς μίτους.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd