Conrad Celtis (1459-1508) was een van de invloedrijkste vroege Duitse humanisten. Na zijn studies in Keulen en Heidelberg werd hij door Keizer Frederik III (1415-1493) gekroond tot poeta laureatus en reisde hij als dichter en docent zowat heel Europa af. Bij zijn terugkeer vatte hij het plan op om de humanistische vernieuwing in zijn vaderland te propageren door het stichten van academies en de uitbouw van een intellectueel netwerk. Celtis liet een indrukwekkende literaire erfenis na van Latijnse gedichten, geografisch prozawerk en diverse tekstedities, waarmee hij het enthousiasme voor het humanistische gedachtegoed in Duitsland heeft gegrondvest. In zijn postuum verschenen Libri odarum (1513) staat een hendecasyllabisch liefdesgedicht voor Hasilina, een getrouwde vrouw op wie hij in 1489 in Krakow verliefd was geworden. Celtis was namelijk ook een notoire rokkenjager, waardoor hij een syfilisbesmetting opliep die hem in 1508 uiteindelijk fataal zou worden.
Wat was ik op dat uur toch hemels dolgelukkig,
te midden van de kusjes en de zoenpartijtjes,
toen ik de borstjes van mijn Hasa vast mocht houden
en nu weer in haar liefelijke schoot mocht glijden
en dan weer strak mijn armen strikte om haar boezem,
terwijl ik zuchtend kreunde, lam door lome liefde,
omdat ze mij met wederzijdse hartstocht opwond
en mij dan dwong om in haar lichaam weg te vloeien,
tot onze zielen zacht in onze mond versmolten
en met muurvaste banden vastgeklonken werden 10
door de godin die uit een blauwe zee ontstaan is.
O, nacht bekranst met sterren die voor eeuwig stralen,
u, die het gelaat der goden helder op doet lichten
en aan vermoeide mensen rust brengt en verkwikking:
blijf staan zoals u deed bij Hercules’ verwekking,
of net zoals u doorgaans doet in Zweedse streken,
wanneer de zon weer het regenrijke zuiden opzoekt
en twee maand lang geen enkel daglicht sprenkelt,
maar alles wikkelt in een eeuwigdurend donker:
ja, zo kan ik mijn hunkerende wellust stillen. 20
Illa quam fueram beatus hora,
inter basia et osculationes,
contrectans teneras Hasae papillas,
et me nunc gremio inferens venusto,
nunc stringens teneris suum lacertis
pectus, languidolo gemens amore.
Quod me in igne reciproco movebat,
cogens deinde suos meare in artus,
dum nostros animos per ora mixtos,
tam vinclis adamantinis ligavit 10
Diva ex caeruleo creata ponto.
O nox perpetuis decora stellis,
quae divum facies levas coruscas,
et fessis requiem refers salubrem.
Nunc stes Herculeo velut sub ortu,
aut qualis Suetiis soles sub oris,
dum Phoebus pluvium revisit Austrum,
nullam per spatium bimester lucem
fundit, perpetuas ferens tenebras,
sic fervens satiabitur voluptas. 20
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd