Gaius Valerius Flaccus (ca. 45 n.C.-ca. 90 n.C.) was een dichter uit de periode van het zogenaamde ‘Zilveren Latijn’. Zijn aan keizer Vespasianus opgedragen epos Argonautica vertelt het beroemde verhaal van Jason en de Argonauten, zoals de alexandrijnse dichter Apollonios van Rhodos (derde eeuw v.C.) dat ooit in het Grieks had gedaan. In het tweede boek van Flaccus’ gedicht passeren Jason en zijn makkers het eiland Lemnos. De dichter neemt daarbij de gelegenheid te baat om het verhaal te vertellen over de vrouwen van Lemnos die destijds hun echtgenoten uit de weg hadden geruimd, daartoe aangezet door de godin Venus en haar handlangster Fama. Die laatste vliegt het eiland af om de plaatselijke vrouwen op te hitsen tegen hun mannen. Zo verkleedt ze zich in de onderstaande passage (vss. 141-161) als ene Neaera, die haar zus Eurynome ervan wil overtuigen dat haar man nu een barbaarse slavin liefheeft.
In tranen, met gekrabde wangen, in Neaera’s kleren,
zei de godin: “Ik wou, zus, dat ik jou dit niet moest melden
en dat de zee eerst onze mannen en ons leed wegspoelde,
want ah, de man die jij als echtgenote zo gediend hebt,
naar wie jij met je tranen en gebeden zo hard hunkert,
is nu verliefd op een slavin, is slaaf van vuige hartstocht.
Ze zijn op komst, een vrouw uit Thrakië sluipt al naar jouw bruidsbed,
jouw mindere in schoonheid, vaardigheid en reputatie,
maar hij wil niet de schitterende dochter van Doryclus,
maar een barbaarse vrouw, getatoeëerd aan kin en handen. 150
Misschien vind jij voor deze ramp straks in een ander huwelijk
wat troost, en kiest een tweede thuis met een veel betere toekomst,
maar dat jouw kroost een moeder mist, gedoemd tot een maîtresse,
dat maakt me ziek. Ik zie haar al vals loeren naar de stakkers,
een gif doorheen hun eten doen, iets dodelijks in hun drankjes.
Je weet hoe onze sekse licht ontvlambaar is en daarbij
is bloeddorst eigen aan de Thrakiërs. Straks staat die vrouw hier,
gehard door ijs en beestenmelk. Ook ik word straks verstoten,
zegt men, een vrouw in strepen, van haar wagen afgetrokken,
bezet mijn huwelijksbed.” Ze zwijgt en eindigt haar gejammer 160
en laat de ander zo vol angst, in zorg en tranen achter.
Huic dea cum lacrimis et nota veste Neaerae
icta genas “utinam non hic tibi nuntius essem,
o soror, aut nostros' inquit 'prius unda dolores
obruat, in tali quoniam tibi tempore coniunx
sic meritae, votis quem tu fletuque requiris,
heu furit et captae indigno famulatur amore.
Iamque aderunt thalamisque tuis Threissa propinquat,
non forma, non arte colus, non laude pudoris
par tibi; nec magni proles praeclara Dorycli,
picta manus ustoque placet sed barbara mento. 150
Ac tamen hos aliis forsan solabere casus
tu thalamis fatoque leges meliore penates.
me tua matris egens damnataque paelice proles
exanimat, quam iam miseros transversa tuentem
letalesque dapes infectaque pocula cerno.
Scis simile ut flammis simus genus, adde cruentis
quod patrium saevire Dahis. iam lacte ferino,
iam veniet durata gelu. sed me quoque pulsam
fama viro nostrosque toros virgata tenebit
et plaustro derepta nurus.” Sic fata querellas 160
abscidit et curis pavidam lacrimisque relinquit.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd