De Waltharius is een Vergiliaans aandoend Latijns epos van 1456 verzen, wellicht geschreven in de tiende eeuw door Ekkehard I, een monnik uit het klooster van Sankt Gallen (†973). Het gedicht vertelt de veel oudere Germaanse legende van de held Walther (Waltharius), de zoon van de Visigotische koning Alphere, die in de vijfde eeuw n.C. heerste over Aquitanië. Tijdens zijn jeugd werd Walther door zijn vader als een gijzelaar overgedragen aan de oprukkende Hunnen van Attila. De jongen werkt zich daar op in het leger en komt zelfs aan het hoofd te staan van Attila’s troepen. In deze hoedanigheid gaat hij in opdracht van zijn meester de strijd aan met verschillende opstandige stammen.
Maar zonder dralen rees hij op en heel zijn leger volgde.
Hij overschouwde het strijdtoneel en ordende zijn linies 180
strategisch op de uitgestrekte vlaktes en de velden.
De beide legers kwamen op een speerworp afstand samen
en hielden halt. Toen zwol er overal in de lucht een strijdkreet
waar ijselijk geschal van krijgsklaroenen zich mee mengde
en dadelijk vloog er heen en weer een dichte wolk van speren.
Het essen- en kornoeljehout kwam in één treffen samen,
een lans die werd geslingerd leek te flikkeren als een bliksem.
Zoals er dichte vlokken sneeuw rondwarrelen in de winter,
zo wierp men ook met woeste hand de wervelende pijlen.
En toen in beide legers elke speer en pijl gebruikt was, 190
greep iedereen uiteindelijk met zijn handen naar de zwaarden.
Ze haalden flitsend ijzer boven, draaiden met hun schilden
en stormden op de vijand af om de oorlog te hervatten.
De ene beukte op zijn paard de schoft van andere paarden,
een ander werd er door een harde schildknop afgeworpen.
Maar Walther raasde onverdroten midden door de linies,
hij hakte alles uit zijn weg en baande zich naar voren.
Nec mora, consurgit sequiturque exercitus omnis.
Ecce locum pugnae conspexerat et numeratam 180
per latos aciem campos digessit et agros.
Iamque infra iactum teli congressus uterque
constiterat cuneus. Tunc undique clamor ad auras
tollitur, horrendam confundunt classica vocem,
continuoque hastae volitant hinc indeque densae.
Fraxinus et cornus ludum miscebat in unum,
fulminis inque modum cuspis vibrata micabat.
Ac veluti boreae sub tempore nix glomerata
spargitur, haud aliter saevas iecere sagittas.
Postremum cunctis utroque ex agmine pilis 190
absumptis manus ad mucronem vertitur omnis.
Fulmineos promunt enses clipeosque revolvunt,
concurrunt acies demum pugnamque restaurant.
Pectoribus partim rumpuntur pectora equorum,
sternitur et quaedam pars duro umbone virorum.
Waltharius tamen in medio furit agmine bello,
obvia quaeque metens armis ac limite pergens.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd