Jan (Johannes) Adornes (1444-1511) was de oudste zoon van de bekende Brugse humanist Anselm Adornes. Samen met zijn vader trok hij in 1470 op pelgrimstocht naar het Heilige Land, een reis die hen via Genua, Tunis, Egypte en de Sinaï uiteindelijk naar Jeruzalem bracht. Na hun terugkeer via Damascus, Beiroet, Cyprus, Rhodos en Brindisi zette Jan Adornes zich thuis in Brugge aan het schrijven van een gedetailleerd en levendig Itinerarium. Dankzij de nieuwsgierige en tolerante blik van de pelgrims biedt dit reisverslag ook de hedendaagse lezer niet alleen erg boeiende lectuur, maar vormt het ook een onschatbare bron voor de laatmiddeleeuwse cultuurgeschiedenis. Zo bevindt het reisgezelschap zich midden juli 1470 in de Egyptische havenstad Alexandrië, waar ze de kledij bewonderen van de plaatselijke moslimvrouwen.
De vrouwen in Alexandrië zijn veel gesofisticeerder en geraffineerder in hun uiterlijke verschijning dan in Tunesië. Ze dragen op hun hoofd een soort van tamboerijn die versierd is met zijde en edelstenen, of ook wel met goud of andere materialen, naargelang de status van de draagster. Maar wanneer ze hun huis uitgaan, bedekken ze hun hoofd en hele lichaam met een cape of een mantel van het helderste witte linnen. Onder deze mantels dragen ze lange versierde gewaden die reiken tot aan hun voeten en rondom hun hoofd hebben ze tal van juwelen, zoals we meermaals hebben kunnen vaststellen op openbare markten en plaatsen waar vrouwen komen om snuisterijen te kopen. Daarbij tilden ze hun capes en mantels op zodat we hen konden gadeslaan. Dames komen namelijk naar deze plekken, zoals bij ons, om te kijken én bekeken te worden. Hun gezicht is bedekt met een doekje van het fijnste linnen of zijde, met daarin ter hoogte van de ogen twee gaten om door te kijken. Om hun benen dragen ze echter linnen broeken die soms uitermate precieus zijn. Daarbij horen kleine laarsjes uit geparfumeerd leer die tot aan de knieën reiken, zoals de Catalanen, Portugezen en Spanjaarden ook hebben. Aan hun voeten dragen ze gouden pantoffels of beschilderde schoentjes. Ze zijn inderdaad erg verfijnd en verzorgd aan hun benen en voeten. Vrouwen op het platteland of op de buiten dragen echter geen dergelijke tamboerijnen op het hoofd en ook geen linnen manteltjes, maar één lang stuk stof dat veel verder neerhangt dan hun gezicht, maar ook niet breder is dan hun gezicht. Ook daarin zitten ter hoogte van de ogen twee gaten om door te kijken.
Muliebris ibi sexus multo cultior et ornatior est in habitu quam sit in Thimesio; habent enim in capite quasi esset tamborinnum, quod de sedico cum gemmis ornatum est, vel de auro, vel aliqua alia materia; secundum conditionem portantis, sed dum exeunt domus suas, caput atque corpus totum falia una sive mantello de lino albissimo operiunt. Subtus illis faliis habent suas longas usque ad pedes vestes ornatissimas, circaque capita gemmas multas, uti pluries vidimus in foris publicis et locis ubi veniunt ad emendum iocalia dum falias suas atque mantella aperuerunt ut eas conspiceremus. Veniunt enim ad illa loca, uti et nostre, ut aspiciant et aspiciantur. Sunt enim facies sue cooperte cum pecia una dulcissimi lini vel sedici, in quibus sunt duo foramina oculis correspondentia per que vident. In tibiis autem portant braccas de lino et sunt bracce ille aliquando multum preciose et de coreo odorifero, parva tibialia usque ad genua quemadmodum Catalani atque Portugalenses sive Hispani faciunt et in pedibus planellas aureas sive galoceas depictas. Sunt enim multum polite et compte circa tibias et pedes. Sed rurales sive rustice non utuntur illis tamborinnis in capitibus nec mantellis illis lineis, sed uno longo pepulo, magis multo quam facies longo, sed non latiori quam sint earum facies. Quod etiam in se habet duo foramina oculis correspondentia ex quibus vident.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd