Aulus Gellius, De fluit van Alkibiades (2e eeuw n.C.)

Aulus Gellius (ca. 125-ná 180 n.C.) werd geboren in Rome, maar ging filosofie studeren in Athene. Tijdens zijn lange verblijf in Griekenland verzamelde hij een immense collectie van wetenswaardigheden over literatuur, filosofie, geschiedenis en taalkunde. Terug in Rome werkte Aulus Gellius dit materiaal uit in de twintig boeken van zijn Noctes Atticae, genoemd naar de vele nachtelijke studie-uren van zijn verblijf in Athene. In het vijftiende boek (XV.17.1-3) vertelt Gellius een ‘muzikale’ anekdote over de jeugdjaren van de roemruchte, maar ijdele Alkibiades.
Toen Alkibiades van Athene als kind bij zijn oom Perikles onderricht kreeg in de vrije kunsten en wetenschappen, liet Perikles de fluitspeler Antigenidas komen om de jongen te leren fluitspelen – een discipline die toendertijd hoog in aanzien stond. Alkibiades kreeg de fluit overhandigd, zette hem aan zijn mond en begon te blazen, maar hij schaamde zich zozeer om de vervorming van zijn gezicht, dat hij de fluit wegwierp en in stukken brak. Toen dat verhaal de ronde begon te doen, beslisten de Atheners unaniem om het onderricht in fluitspel voortaan te verbieden. Dit alles staat in het negenentwintigste boek van de commentaren van Pamphile.