Johannes Flemingus, Tranen om Neaera (ca. 1550)

Johannes Flemingus (Jan Vleminck, ca. 1527-1568), heer van Wijnegem, reisde in zijn jeugdjaren de beschaafde wereld rond en vertoefde overal in de hoogste kringen. Als bankier, koopman en mecenas speelde hij vervolgens een vooraanstaande rol in het economische en culturele leven van Antwerpen. Flemingus was echter ook een groot humanist met een opmerkelijk dichterlijk talent. Van zijn Neolatijnse gedichten is een selectie bewaard dankzij zijn innige vriend, de arts en taalkundige Goropius Becanus. In een van deze zestien overgebleven gedichten beweent Flemingus – volledig in het spoor van Janus Secundus – het vertrek van zijn liefje ‘Neaera’.
Is dit nu dus de dag dat wij uiteengaan als geliefden,
	een dag die zwaar getekend is door tranen en verdriet,
waarop jij, mijn Neaera – dat heeft het kwade lot besloten –
	op reis vertrekt langs vreemde wegen, ver weg, zonder mij?
Laat jij me dus in tranen en verscheurd door droefheid achter?		
	Mag ik dan echt niet als gezelschap aan jouw zijde mee?
Een akelige koorts kwelt mij met ongewone vuurgloed
	en houdt mijn zwakke lichaam tegen heug en meug in bed,
mijn maag is lusteloos, vertoont geen enkele vorm van honger,
	en kokhalst louter bij de geur als men mij eten brengt.			10
Maar tegelijk kwelt mij een dorst die geen minuut vermindert
	en zelfs niet wordt gelest door het drinken van de hele Taag.
Zo word ik schriel en mager, mijn gewone lichaamskleuren
	zijn weggekwijnd, een bleekheid neemt bezit van mijn gezicht.
Nog vóór de dag ben ik, een jongeman, bejaard geworden		
	en moet mijn wankele stappen schragen met een wandelstok.
Misschien kon ik dit alles wel wat makkelijker verdragen
	indien mijn eigen jammerklacht door velen werd gedeeld.
Maar alle hoop die ik verkreeg op ooit een mooiere toekomst,
	bood niet de minste beterschap voor mijn getroffen hart,		      20
want wie, mijn lieve schat, zou jouw vertrek en wrange weggaan
	zomaar kunnen doorstaan, tenzij met bittere hartenpijn?