Johannes Flemingus (Jan Vleminck, ca. 1527-1568), heer van Wijnegem, reisde in zijn jeugdjaren de beschaafde wereld rond en vertoefde overal in de hoogste kringen. Als bankier, koopman en mecenas speelde hij vervolgens een vooraanstaande rol in het economische en culturele leven van Antwerpen. Flemingus was echter ook een groot humanist met een opmerkelijk dichterlijk talent. Van zijn Neolatijnse gedichten is een selectie bewaard dankzij zijn innige vriend, de arts en taalkundige Goropius Becanus. In een van deze zestien overgebleven gedichten beweent Flemingus – volledig in het spoor van Janus Secundus – het vertrek van zijn liefje ‘Neaera’.
Is dit nu dus de dag dat wij uiteengaan als geliefden,
een dag die zwaar getekend is door tranen en verdriet,
waarop jij, mijn Neaera – dat heeft het kwade lot besloten –
op reis vertrekt langs vreemde wegen, ver weg, zonder mij?
Laat jij me dus in tranen en verscheurd door droefheid achter?
Mag ik dan echt niet als gezelschap aan jouw zijde mee?
Een akelige koorts kwelt mij met ongewone vuurgloed
en houdt mijn zwakke lichaam tegen heug en meug in bed,
mijn maag is lusteloos, vertoont geen enkele vorm van honger,
en kokhalst louter bij de geur als men mij eten brengt. 10
Maar tegelijk kwelt mij een dorst die geen minuut vermindert
en zelfs niet wordt gelest door het drinken van de hele Taag.
Zo word ik schriel en mager, mijn gewone lichaamskleuren
zijn weggekwijnd, een bleekheid neemt bezit van mijn gezicht.
Nog vóór de dag ben ik, een jongeman, bejaard geworden
en moet mijn wankele stappen schragen met een wandelstok.
Misschien kon ik dit alles wel wat makkelijker verdragen
indien mijn eigen jammerklacht door velen werd gedeeld.
Maar alle hoop die ik verkreeg op ooit een mooiere toekomst,
bood niet de minste beterschap voor mijn getroffen hart, 20
want wie, mijn lieve schat, zou jouw vertrek en wrange weggaan
zomaar kunnen doorstaan, tenzij met bittere hartenpijn?
Ergo dies venit, qua disiungemur amantes,
flebilis et lachrimis saepe notanda meis,
qua procul hinc sine me, sic fors tulit improba, debes
ire peregrinas, cara Neaera, vias?
Et me relinquit lacrimis, saevoque dolori
Ah comitem lateri non licet ire tuo?
Febris enim miserum insolitis ardoribus urget,
deficit ingrato languida membra toro:
et stomachus nullam languens admittit orexim,
qui solo appositas horret odore dapes. 10
Una sitis nullis unquam mihi deficit horis,
quam simul exhausti non levet unda Tagi.
Sic mihi nativos macies invecta colores
abstulit, et toto pallor in ore sedet:
instabilesque gradus prono firmare bacillo
ante diem iuvenis cogor, et esse senex.
Forsitan haec poteram patientius omnia ferre,
unaque multorum nostra querela foret.
Et spes venturae quondam concepta salutis
non erat afflicto parva medela animo. 20
Verum abitus, mea vita, tuos, tristesque recessus,
quis nisi cum magno ferre dolore queat?
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd