'Onze' Janus Secundus (1511-1536) is natuurlijk onsterfelijk geworden door zijn Basia, een collectie van negentien weergaloze zoengedichten. Door het overweldigende succes van die dichtbundel heeft de rest van Secundus' omvangrijke oeuvre jammer genoeg veel minder aandacht gekregen. Zo schreef het jonggestorven wonderkind onder meer ook drie boeken Elegieën, waarvan het eerste deel Monobiblos wordt genoemd en integraal gewijd is aan Secundus' liefje Julia. In het openingsgedicht van die bundel vertelt de dichter hoe hij getroffen werd door de pijlen van zijn meester Cupido.
«Een ander mag zijn Muzen best met oorlogsbloed bespatten
en dubbel woeste wonden slaan met wrede mannenmoord,
laat zíjn dichtkunst maar druipen van het bloed dat tweemaal vloeide,
maar ik vind het voldoende om één keer geveld te zijn.
Ik zing dus van de vrome Venus en haar zoon op vleugels,
die met zijn frêle handen zijn brutale pijlen schiet.»
Zo sprak ik. En daar stond hij met zijn glinsterende vleugels,
de jongen, met zijn fakkel, met zijn pijlen en zijn boog.
En droomde ik of scherpte hij op steen zijn felle pijlen?
Van schrik trok alle kleur onmiddellijk weg uit mijn gezicht. 10
«Ah, jaag toch met die wapens niet uw eigen dichter schrik aan!»
zei ik, «Hij wou zich ook spontaan al voegen in uw kamp.
Hij is van plan uw grootse macht en wijdse invloedssferen,
waardoor u met uw schuimgeboren moeder wordt vereerd,
langs alle steden van zijn vaderland lof toe te zingen
met klinkend dichtwerk, hij, uw dienaar, dus verwond hem niet!»
De knaap kromde zijn booghout onbewogen en zei vurig:
«Wel, kijk, ik geef je een thema waar je lang mee dichten kunt:
verheerlijk nu de krachten van een hand die je reeds kende
en leer hoe sterk de charme is van een knappe meesteres.» 20
Hij had amper gesproken en zodra zijn boogpees snorde
wist ik dat met die pijl de god zich boorde in mijn hart.
«Pierides alius dira inter bella cruentet,
vulneraque ingeminet saeva necesque virum,
cuius bis fuso madefiant sanguine versus:
ei mihi, plus satis est quem cecidisse semel!
Nos puerum sancta volucrem cum matre canamus
spargentem tenera tela proterva manu.»
Sic ego; sic fanti radiantibus adstitit alis
cum face, cum cornu, cum iaculisque puer.
Fallor an ardentes acuebat cote sagittas?
Anxius in vultu iam mihi pallor erat. 10
«Parce tuum, dixi, ferro terrere poetam,
castra parat dudum qui tua sponte sequi,
imperiumque potens et regna patentia late,
quae te spumigena cum genitrice colunt,
carmine vocali patrias resonare per urbes
aggreditur: tuus est, laedere parce tuum!»
Ille nihil motus, lunato fervidus arcu:
«Accipe quae,» dixit, «multa diuque canas,
et non ignotae celebra nunc robora dextrae
formaque quid valeat disce decentis herae!» 20
Vix ea personuit, sonuit simul arcus et una
cum iaculo in venas sensimus isse deum.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd