Daniël Heinsius, De zielenzoen van Roosje (1610)

Daniël Heinsius (‘Heyns’, 1580-1655) was een van de meest getalenteerde humanisten uit de Lage Landen. Hij werd geboren in Gent, maar was bijna zijn hele leven actief in Leiden, waar hij grote faam genoot als uitgever van klassieke tekstedities en als hoogleraar Grieks aan de universiteit. Heinsius schreef een omvangrijk oeuvre samen van Latijnse maar ook van Griekse poëzie, in uiteenlopende versmaten en genres. In een van zijn Latijnse gedichten met de titel Erotopaegnium bezingt de dichter een zoentje van zijn liefje 'Rossa', dat hem van zijn ziel berooft.
Mijn liefje gaf mij gisteren een heerlijk vochtig zoentje,
een zoentje dat nog zoeter was dan zoete ambrozijn.
Ik kleurde rood en liefkoosde haar wangen en haar borstjes
en fluisterde: ‘Mijn Roosje, liefje, zegen jij me zo?’
Ze glimlachte en blies meteen iets uit haar zoele mondje, 5
nog zaliger dan wat ze met haar wulpse oogjes deed.
Ze liet haar zoenen op me los, soms lillend, soms met likjes
en legde al haar charmes en bekoorlijkheden bloot.
Ze sabbelde een zoentje weg en nog een zoen en nog één,
maar nippend zoog ze zo intussen heel mijn ziel in zich. 10
Nu zwalk ik zielig zonder ziel langs hobbels en problemen,
langs alle wegen, eenzaam, op mijn eentje, zonder mij.
Ach, zielig mist nu Heinsius zijn ziel, ach, Heinsius, ja,
die net nog zoveel zoenen gaf, gaat nu af op zijn graf …