Een van de invloedrijkste pseudo-Ovidiaanse werkjes uit de twaalfde eeuw is het anoniem overgeleverde Pamphilus sive de amore (‘Pamphilus, ofte over de liefde’), een komisch stuk in 780 elegische verzen. Het gedicht was erg populair in het klaslokaal en zou via excerpten, vertalingen en anthologieën op diverse wijzen doorwerken in de volkstalige en Latijnse literatuur van de late middeleeuwen. In het verhaal wordt de ‘held’, Pamphilus, verliefd op de maagdelijke Galatea, maar durft hij haar aanvankelijk nauwelijks te benaderen, getroffen als hij is door haar buitenaardse schoonheid.
Mijn God, wat is ze knap, hoe ze daar loopt met losse lokken!
En om met haar te praten is mij deze plek perfect.
Maar ah, ik word opeens door duizend angsten overvallen,
zodat ik nu geen woorden vind en mijn verstand verlies.
Ik heb geen krachten meer, mijn handen en mijn voeten beven,
ik ben in shock, mijn lichaam is volledig in de war. 160
Ik dacht haar honderduit over mijn hartstocht te vertellen,
maar wat ik haar wou zeggen is verdwenen door de schrik.
Ik ben niet wie ik was, neen, ik herken mezelf nog amper,
mijn stem laat mij nu in de steek, maar toch neem ik het woord.
Quam formosa, deus, nudis venit illa capillis,
quantus et esset ei nunc locus inde loqui.
Set subito tanti mihi nunc venere timores,
nec mea mens mecum nec mea verba manent,
nec mihi sunt vires trepidantque manusque pedesque,
Attonito nullus congruus est habitus. 160
Mentis in affectu sibi dicere plura putavi,
set timor excussit dicere que volui.
Non sum qui fueram, vix me cognoscere possum,
nec bene vox sequitur, set tamen inde loquar.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd