Ausonius, Mijn moederstad Bordeaux (4e eeuw n.C.)

Decimus Magnus Ausonius (ca. 310-395 n.C.) werd geboren in Burdigala (het huidige Bordeaux), maar maakte als docent, dichter en politicus carrière in Trier en Rome. In zijn Ordo Urbium nobilium geeft hij poëtische beschrijvingen van twintig belangrijke steden uit het Imperium Romanum, beginnend bij Rome en eindigend bij zijn eigen moederstad Bordeaux. Ausonius toont zich in dit laatste gedicht als een ware Gallo-Romein, die trots is op de grootsheid van Rome, maar evenzeer dweept met de schoonheid van zijn vaderland.
Bordeaux is mijn geboortegrond; haar lucht is mild en matig,
haar akkerland is vruchtbaar en geniet van welig water,
de lente duurt hier lang, een prille zon verwarmt de winter, 10
vlak onder wijnberankte heuvels schuimen haar rivieren
en deinen op de maat van eb en vloed door de getijden.
Haar ruw geblokte muren hebben hoogverheven torens
en dringen met hun toppen door de wolken van de hemel.
Vergaap je in de stad maar aan de strak geplande straten,
de goed geschikte huizen, de beroemde promenades,
de kruispunten die rechtstreeks naar de stadspoorten toelopen.
En als de oude oceaan door zijn getij weer terugstroomt
en midden in de stad de brongevoede stroom gaat zwellen,
dan zie je een hele zee van schepen over het water schuiven.   20
Vermeld ik de fontein die is bekleed met Parisch marmer
en in een nauwe engte kolkt? Hoe krachtig het water voortstuwt?
Hoe machtig zwelt die maalstroom! Welke vloedgolf stort zich voorwaarts
en baant zich in zijn weidse bekken door twaalf sluizenmonden,
maar raakt nooit uitgeput voor zoveel noden van de mensen.
               ...