Desiderius Erasmus, De macht van Cupido (1487?)

De grote Desiderius Erasmus van Rotterdam (ca. 1467-1536) staat natuurlijk vooral bekend om zijn monumentale prozawerken, zoals zijn Lof der Zotheid, zijn Adagia en zijn immense Latijnse correspondentie. Tijdens de eerste helft van zijn leven besteedde hij echter evenveel energie aan het componeren van poëzie als aan het schrijven van proza. Erasmus’ omvangrijke dichterlijke oeuvre behandelt vooral opvoedkundige, politieke en theologische thema’s, maar er komt ook liefdespoëzie in voor, zoals een vroege Elegie over de machtige Cupido met zijn boog en pijlen, waarvan hier de beginverzen.
Ik weet nu wat de liefde is: een geestelijke waanzin,
de liefde is een vuur dat heter dan de Etna brandt.
Een jonge liefde voedt zich graag met knikjes en signalen
en domme liefde ontstaat door zoete woordjes en gevlei.
Een heerlijke verliefdheid glipt naar binnen langs de ogen,
ze bijt zich machtig vast en dringt in al je vezels door,
ze dringt je lichaam binnen, vreet het weg met stille vlammen
en schroeit je ingewanden met een eigen fakkelvuur.
Ze schroeit je weg vanbinnen, laat je geest niet langer rusten,
zo’n rusteloze liefde houdt je blijvend uit je slaap. 10
De liefde vindt geen rust: als zij als heerser van geliefden
hun lichaam niet verbinden kan, verenigt zij hun ziel.
Hoewel er slechts één liefde is, knoopt zij twee harten samen:
zo maakt die ene liefde dat die twee geen twee meer zijn.
...