Op 27 november 1095 hield de zestigjarige paus Urbanus II op een veld bij Clermont-Ferrand voor een immense menigte een van de meest invloedrijke toespraken uit de wereldgeschiedenis. Met een meeslepende retoriek en een groteske evocatie van gruwelijke en blasfemische taferelen deed hij de verontwaardiging van zijn toehoorders zo oplaaien dat ze de wapens opnamen om Jeruzalem van de moslims te bevrijden. De meest indrukwekkende versie van Urbanus’ succesvolle redevoering, die het startsein vormde voor eeuwenlange bloedige kruistochten, kan men lezen in de Historia Hierosolimitana van Robertus Monachus (ca. 1055-1122). Het begin klinkt als volgt.
“Mensen uit Frankrijk, mensen van over de bergen, mensen – zo blijkt glansrijk uit jullie talloze verwezenlijkingen – gekozen en geliefd door God en gescheiden van de gezamenlijke volkeren zowel door jullie geografische ligging als door jullie katholieke geloof en de eer van de heilige Kerk: het is tot jullie dat onze woorden zijn gericht, voor jullie dat ons verzoek is bestemd. We willen dat jullie weten welke jammerlijke kwestie ons naar jullie landen heeft gebracht, welke urgente noodsituatie voor jullie en voor alle gelovigen ons hierheen heeft laten komen. Uit de regio van Jeruzalem en de stad Constantinopel is een verschrikkelijk bericht opgedoken en het bereikt nu voortdurend onze oren: het volk van het Perzische rijk, dat buitenlandse volk, dat volk dat compleet door God verworpen is, een generatie inderdaad die zijn hart niet afgestemd heeft en in zijn geest niet gelooft in God, is de landen van de christenen binnengevallen, ze hebben met slachtpartijen, plundering en brandstichting de mensen verdreven, ze hebben sommigen als krijgsgevangenen naar hun eigen land gedeporteerd, anderen hebben ze een verschrikkelijke dood laten sterven, ze hebben kerken van God met de grond gelijk gemaakt of voor hun eigen religieuze rituelen in gebruik genomen. Altaren besmeuren ze met hun eigen smerigheid en werpen ze omver, christenen besnijden ze en het bloed van de besnijdenis gieten ze over de altaren of ze storten het in doopvonten. Als ze zin hebben om mensen op gruwelijke wijze om het leven te brengen, doorsteken ze hun navels en trekken het uiterste van hun darmen eruit, binden die vast aan een paal en jagen de slachtoffers daar met een zweep rond, totdat al hun ingewanden eruit zijn getrokken en ze levenloos op de grond vallen. Andere mensen binden ze vast aan een paal en doorboren hen met pijlen. Bij nog andere mensen strekken ze de halzen strak en stormen met getrokken zwaard op hen af in een poging om hen met één zwaardslag te onthoofden. Wat moet ik zeggen over de misdadige verkrachting van vrouwen? Erover spreken is eigenlijk erger dan erover te zwijgen."
“Gens Francorum, gens transmontana, gens, sicut in pluribus vestris elucet operibus, a Deo electa et dilecta, tam situ terrarum quam fide catholica, quam honore sancte Ecclesie ab universis nationibus segregata: ad vos sermo noster dirigitur, vobisque nostra exhortatio protenditur. Scire vos volumus que lugubris causa ad vestros fines nos adduxerit, que necessitas vestra cunctorumque fidelium attraxerit. A Iherosolimorum finibus et urbe Constantinopolitana relatio gravis emersit, et sepissime iam ad aures nostras pervenit, quod videlicet gens regni Persarum, gens extranea, gens prorsus a Deo aliena, generatio scilicet que non direxit cor suum et non est creditus cum Deo spiritus eius, terras illorum Christianorum invaserit, ferro, rapina, incendio depopulaverit ipsosque captivos partim in terram suam abduxerit, partimque nece miserabili prostraverit, ecclesiasque Dei aut funditus everterit, aut suorum ritui sacrorum mancipaverit. Altaria suis feditatibus inquinata subvertunt, Christianos circumcidunt, cruorem circumcisionis, aut super altaria fundunt, aut in vasis baptisterii inmergunt; et quos eis placet turpi occubitu multare, umbilicum eis perforant, caput vitaliorum abstrahunt, ad stipitem ligant, et sic flagellando circumducunt, quoadusque extractis visceribus solo prostrati corruunt. Quosdam stipiti ligatos sagittant; quosdam extento collo et nudato gladio appetunt, et utrum uno ictu truncare possint pertemptant. Quid dicam de nefanda mulierum constupratione, de qua loqui deterius est quam silere?"
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd