Adriaan Reland (Hadrianus Relandus, 1676-1718) was een Nederlandse oriëntalist, cartograaf en dichter. In zijn studentenjaren schreef hij een bundel van dertien Neolatijnse elegieën, die onder de titel Galatea, Lusus poeticus ('Galatea, Dichtspel') zonder zijn medeweten door een vriend aan de drukpers werd toevertrouwd. De uitgave had een immens succes en maakte Relandus tot een van de beste Neolatijnse dichters uit de Lage Landen. Op het einde van de tiende elegie beklaagt de dichter zich dat zijn afwezige liefje Galatea hem geen geruststellende brieven schrijft.
Waar blijf je toch? Of is je vroegere passie nu verdwenen?
Of wakkert soms een andere man je liefdesvlammen aan?
Wat ik amper geloven kon, moet ik nu toch wel vrezen,
door Amor, die mij altijd in mijn wanhoop vergezelt. 120
Ik smeek je dus te schrijven: “Neen, ik ben je niet vergeten!”
tenzij je zelf nog sneller dan je brieven voor me staat.
Je kunt me makkelijk schrijven op wel duizenden manieren,
ah, zei je mij maar enkel hoeveel jij nog van me houdt.
Geen schipper mag de zee opvaren zonder onze brieven,
laat alle zeilen spreken van de trouw die ik voor je voel!
En op het papier dat jij zult lezen druk ik dan mijn kusjes:
de oostenwind blaast die over de woeste zee naar jou,
totdat ze mijn geliefde meisje eindelijk bereiken
en zich er aan jouw liefdeslusten laven zonder mij. 130
Dan nip jij als mijn liefje met je lipjes toch mijn zoentjes,
maar ben ik op mijn liefdesbrieven zelf wel stikjaloers.
Quae tibi causa morae? Vetus an deferbuit ardor,
Et nova fervoris sunt alimenta tui?
Quae vix ut credam, timeo, iubet illa timere,
Qui semper miserum me comitatur Amor. 120
Tu, precor, absentis memorem te vivere nostri
Scribe, nisi scripto sis prior ipsa tuo.
Mille modis tuto mittetur epistola nobis.
Hoc mihi si possis dicere, quantus eram!
Nullus enim nostris iret sine nauta tabellis,
Narrarentque meam singula vela fidem.
Quod superest, chartae quam perlegis, oscula figo,
Oscula, quae tumidas transvehet Eurus aquas;
Donec ad optatam sine me delata puellam,
Deliciis Domini sint fruitura sui; 130
Forte tuis, si nostra manes, rapienda labellis,
Invideo scriptis quae miser ipse meis.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd