Joachim du Bellay (ca. 1522-1560) is natuurlijk vooral bekend omwille van zijn Franse poëzie en zijn lidmaatschap van de dichterskring de 'Pléiade'. Tijdens een lang verblijf in Rome schreef hij echter ook een ruime collectie Neolatijnse gedichten, die in 1558 in Parijs werden gepubliceerd. In zijn bundel elegieën onder de titel Amores beschrijft du Bellay onder meer een liefdesaffaire met het Romeinse meisje Faustina, zoals in dit korte 'paraklausithyron' (de liefdesklacht voor een gesloten deur).
Dit is het huis, dit is de woning die mijn liefde uitsluit:
ah, deur, jij bent te hard, ja, jij bent veel te hard voor mij.
Jij houdt, wreedaard, mijn stoeierijtjes en mijn dartele grapjes,
jij houdt mijn liefdeslusten met je grendels geblokkeerd.
Nu zuigt misschien die gore grijsaard op haar roze lipjes 5
of neemt wellicht haar zachte lichaam in zijn armen vast.
Intussen slijt ik hier verward, verdwaasd en plompverloren,
de hele nacht een drempel af die ik al zo goed ken.
En met een blik van Lynceus speur ik of er toch geen spleetje,
een piepklein spleetje mij misschien een blik naar binnen gunt. 10
Geen spleet te zien, of als er toch een is, blijft alles zwijgzaam,
want nergens maar een kiertje waar mijn stem een doorgang vindt.
Hoe vreselijk dat ik bij mijn zoete liefje niet in staat ben
mij in haar schoot te storten langs de pannen van het dak!
Haec domus, haec illa est, nostros quae claudit amores:
ah, nimis atque nimis ianua dura mihi.
Tu veneres, ingrata, meas lususque, iocosque,
tu cohibes vinclis gaudia nostra tuis.
At nunc ille senex forsan rosea illa labella 5
sugit et amplexus mollia membra premit.
Interea vagus atque excors, sine mente animoque,
limina nocturnis nota tero pedibus.
Et circunspicio Lyncaeo limine, si qua
rimula sit nostris forte patens oculis. 10
Nulla patet, vel si qua patet, sunt omnia muta,
vocibus ac nostris pervia nulla via est.
Hei mihi quod Dominae nulla ratione potis sum
me dulce in gremium mittere per tegulas.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd