Michael Marullos, De gaven van Neaera (ca. 1488)

Michael Marullos (Μιχαήλ Μάρουλλος, ca. 1453-1500) was een kind van Griekse ouders die na de val van Constantinopel naar Italië waren gevlucht. Daar werd hij niet alleen huursoldaat, maar ook een prominente Neolatijnse dichter. Zo schreef Marullos onder meer een rijke collectie van bijna tweehonderd Epigrammata, in diverse metra en met uiteenlopende thema's. Zijn epigram II.48 is een lofzang voor het bekoorlijke, maar evenzeer gesofisticeerde meisje 'Neaera'.
Dat als je stapt je lange lokken zacht je voeten strelen
	en dat een bonte blos ligt op je sneeuwblanke gelaat,
dat Parisch marmer niets lijkt naast jouw blanke hals en borstjes,
	dat Afrikaans ivoorsnijwerk verbleekt bij jouw gebit
en dat je aanblik vorstelijk is, je voorhoofd straalt van gratie			5
	en dat jouw rode mond op Venus’ lenteroos gelijkt
en dat een dartel lachje in je edele ogen fonkelt,
	dat alles wat je zegt of doet, je zegt en doet met stijl
- voeg daarbij nog je vorstelijke afkomst, broers en vader
	en gulle godengaven: stapels rijkdom, macht en land -			10
toch is dat alles niet voldoende om jouw lof te zingen,
	veel grootsere talenten maken jou, mijn schat, uniek:
je wijsheid in de wereld, je verstandigheid en kunde
	en in dat frêle meisje toch de geestkracht van een man,
je waardigheid en goedheid ook, verrassend voor jouw leeftijd,		15
	het dichterlijk talent dat je bij meisjesdansen toont.
Jouw geniale gaven zijn jouw trots en échte zegen,
	ze zijn jouw ware weelde, andere gaven duren kort.