De Italiaanse Neolatiniste Olympia Fulvia Morata (1526-1555) was een vastberaden protestante, die met haar echtgenoot naar Duitsland vluchtte voor de inquisitie. Bij de gewelddadige inname van Schweinfurt verloor ze quasi al haar geschriften en tevens haar goede gezondheid. Op 26 oktober 1555 schrijft ze vanop haar sterfbed een laatste Latijnse brief aan haar mentor 'Caelius Secundus Curio'.
Wat mij betreft: je moet weten, mijn Caelius, dat iedere hoop om nog langer te leven mij ontnomen is. Want als het op medicatie aankomt – en ik heb er veel gebruikt – is er niets dat nog hulp biedt. Ze verwachten dat ik binnen enkele dagen, of misschien zelfs uren, onverbiddelijk van hier zal heengaan. En ja, ik weet dus niet of dit de laatste brief is die je van mij zult ontvangen. Mijn lichaamskracht is volledig verdwenen. Ik heb geen enkele trek meer om te eten, mijn verstopte longen proberen me dag en nacht te doen stikken. Mijn koorts is hoog en constant. Ik heb over mijn hele lichaam pijn die me uit mijn slaap houdt. Er blijft me dus niets meer over dan mijn adem uit te blazen. Niettemin huist er in mijn lichaam nog steeds een geesteskracht die zich mijn geliefden herinnert en alle goeds dat zij deden. Daarom wil ik dus mijn geweldige dank betuigen aan jou, voor je briefjes, en aan al die lieve mensen die me van zoveel prachtige geschenken hebben voorzien. Ik wou hen dus bedanken, als het lot het had toegestaan. Ik denk dat ik heel binnenkort zal overlijden. Ik draag de kerk over aan jou, zorg dat alles wat je doet haar tot nut is. Vaarwel, mijn beste Caelius, en als je bericht ontvangt van mijn overlijden, treur dan niet. Ik weet immers dat ik dan pas echt zal leven. Ik verlang al om te verdwijnen en bij Christus te zijn […]. Groet jouw familie in mijn naam. De gedichten die ik na de verwoesting van Schweinfurt uit het hoofd kon reconstrueren, stuur ik je op, zoals je vraagt. Mijn andere geschriften zijn verloren gegaan. Ik vraag je dus om mijn Aristarchus te willen zijn en ze uit te geven. Nogmaals vaarwel.
De me vero mi Caeli, scias omnem longioris vitae spem ademptam esse. Nam quod ad me medicamenta attinet, quibus usa sum plurimis, nihil est quod opem ferat. In dies iam, immo in horas ferme nihil aliud nostri expectant, quam ut hinc migrem. Et sane ego nescio an istae sint ultimae litterae futurae, quas a me accipies. Corpus omnino et vires sunt amissae: nullum habeo ciborum gustum: catarrhus dies ac noctes me suffocare conatur. Febris vehemens et adsidua: dolores per totum corpus qui me somno privant. Itaque nihil restat nisi ut animam efflem. Adhuc adest spiritus in artubus memor omnium meorum amicorum et beneficiorum acceptorum. Quare tibi pro tuis libellis et bonis illis viris, qui me tot pulcherrimis muneribus affecerunt, ingentes ago gratias. Cupiebam referre, si fata tulissent. Ego omnino brevi me decessuram opinor: tibi Ecclesiam commendo: ut quidquid agas, id ex usu eius sit. Vale optime Caeli, et si de obitu meo tibi renunciatum fuerit, ne doleas. Nam ego scio tunc demum me victuram, cupioque iam dissolvi et esse cum Christo. […] Saluta familiam tuam nostro nomine. Carmina quae potui in memoriam redigere post ruinam Suinfordensem ad te, ut postulas, mitto: alia mea scripta perierunt. Quaeso ut meus Aristarchus esse velis, eaque limare. Iterum vale.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd