George Buchanan, Een zoen die leven geeft (1584)

Zoals wanneer de blaadjes door het zonlicht gaan verwelken
	en blanke lelies kwijnen eens geplukt door maagdenhand,
zo ga ook ik, Neaera, door een langzaam vuur verflauwen,
	zodra ik ben getroffen door de stralen van jouw blik.
Maar als jij mij dan langzaamaan met roze mond gaat zoenen			5
	en zo mijn zwakke zieltje van jouw strelingen geniet,
dan krijgt mijn geest en veerkracht vuur, zoals een plant weer opleeft,
	wanneer een milde regenbui de droge grond verkwikt.
Omdat ik door jouw ogen sterf maar zoenen mij genezen
	en ik mijn leven en mijn dood dus in jouw handen leg,			10
wel, dood me, vel me, zo je wil, maar geef mij stervend zoenen:
	om dikwijls zo te leven ga ik gretig dikwijls dood.
Qualiter ad solem foliis morientibus arent
	Candida virginea lilia secta manu,
Paulatim lento sic maceror igne, Neaera,
	Ut primum radii me tetigere tui.
At mihi dum roseis tractim das oscula labris,					    5
	Sentit et attactus debilis umbra tuos,
Mens redit et vigor ignescit, velut herba resurgit,
	Cum levis arentem recreat imber humum.
Ergo quando oculis pereuntem me oscula sanant,
	Et mea in arbitrio vitaque morsque tuo est,					  10
Perde, neca, ut visum est; sed dum pereo, oscula iunge:
	Saepe ut sic vivam, sic volo saepe mori.