Kollouthos, Helena verliefd (ca. 500 n.C.)

Zodra ze hem, blakend van jeugdige kracht, voor de deurpost gewaarwerd,
riep ze hem bij zich en leidde hem mee naar het hart van het woonhuis.	
Ze vroeg hem meteen op een gloednieuwe zilveren zetel te zitten
en gaapte hem eindeloos aan, want ze kon niet genoeg van hem krijgen.
Ze dacht eerst de gouden jongen te aanschouwen die voor Kuthereia
de bruiloftsvertrekken bewaakt, maar besefte een weinig tijd later 
dat het toch Eros niet was, want ze ontdekte geen koker of pijlen.		     260
Verward door zijn knappe gelaat en zijn prachtige, glanzende ogen,
was ze constant in de waan naar de vorst van de wijnstok te kijken,
al kon ze de bloeiende trossen en ranken wel nergens bespeuren,
die zich op zijn heerlijke hoofd langs zijn wenkbrauwen horen te krullen. 
Uiteindelijk sprak ze, geheel overdonderd, hem toe met de woorden:	
“Vreemde, waar kom je vandaan? Vertel me je dierbare afkomst. 
Je hemelse uiterlijk doet aan een roemrijke majesteit denken,
maar ik slaag er niet in te bepalen van welke Grieken jij afstamt,
al ben ik vertrouwd met het hele geslacht van de nobele Deukalion. 
Neen, jij woont vast niet in het zandige Pulos, het thuisland van Neleus	      270
-Antilochos ken ik, maar jouw gezicht kwam mij nog nooit onder ogen-
en ook niet in het lieflijke Phthia, het thuisland van dappere helden.
Ik ken immers grondig de roemruchte bloedlijn van Aiakos’ zonen,
de blakende schoonheid van Peleus en Telamons grootsheid en glorie,
Patroklos’ karakter en het mannelijke vuur van de stoere Achilleus.” 
Zo sprak het meisje met heldere stem en ze smachtte naar Paris.
Καὶ θαλερὸν προπάροιθεν ὀπιπεύουσα θυράων
ὡς ἴδεν, ὣς ἐκάλεσσε καὶ ἐς μυχὸν ἤγαγεν αὐλῆς		
καί μιν ἐφεδρήσσειν νεοπηγέος ὑψόθεν ἕδρης
ἀργυρέης ἐπέτελλε. Κόρον δ᾽ οὐκ εἶχεν ὀπωπῆς
ἄλλοτε δὴ χρύσειον ὀισαμένη Κυθερείης
κοῦρον ὀπιπεύειν θαλαμηπόλον· ὀψὲ δ᾽ ἀνέγνω,
ὡς οὐκ ἔστιν Ἔρως· βελέων δ᾽ οὐκ εἶδε φαρέτρην.		           260
Πολλάκι δ᾽ ἀγλαΐῃσιν ἐυγλήνοισι προσώπου
παπταίνειν ἐδόκευε τὸν ἡμερίδων βασιλῆα·
ἀλλ᾽ οὐχ ἡμερίδων θαλερὴν ἐδόκευεν ὀπώρην
πεπταμένην χαρίεντος ἐπὶ ξυνοχῇσι καρήνου.
Ὀψὲ δὲ θαμβήσασα τόσην ἀνενείκατο φωνήν.		
“Ξεῖνε, πόθεν τελέθεις; Ἐρατὸν γένος εἰπὲ καὶ ἡμῖν.
ἀγλαΐην μὲν ἔοικας ἀριζήλῳ βασιλῆι, 
ἀλλὰ τεὴν οὐκ οἶδα παρ᾽ Ἀργείοισι γενέθλην.
Πᾶσαν Δευκαλίωνος ἀμύμονος οἶδα γενέθλην·
οὐ Πύλον ἠμαθόεσσαν ἔχεις, Νηλήιον οὖδας,			           270
- Ἀντίλοχον δεδάηκα, τεὴν δ᾽ οὐκ εἶδον ὀπωπὴν -
οὐ Φθίην χαρίεσσαν, ἀριστήων τροφὸν ἀνδρῶν,
οἶδα περικλήιστον ὅλον γένος Αἰακιδάων,
ἀγλαΐην Πηλῆος, ἐυκλείην Τελαμῶνος,
ἤθεα Πατρόκλοιο καὶ ἠνορέην Ἀχιλῆος.”
Τοῖα Πάριν ποθέουσα λιγύθροος ἔννεπε νύμφη·